Skiascopie
1. PD meten PD instellen en foropter waterpas hangen
2. Zet de skiascoop op een smalle, divergente bundel
3. Dim de kamerverlichting (niet donker)
4. Laat de proefpersoon naar het groene vlak kijken
5. Bepaal op welke werkafstand je gaat zitten en zet het werkglas in de foropter
6. Nevel het oog wat je niet gaat skiascoperen en controleer of het oog juist geneveld is (in
beide richtingen een tegenbeweging)
7. Ga recht voor het te onderzoeken oog zitten
8. Bepaal in twee richtingen de beweging (Meest positieve is de sferische)
Twee meebewegingen: De snelste meebeweging is sferisch, de langzaamste
meebeweging is cilindrisch
1 meebeweging, 1 tegenbeweging: De meebeweging is sferisch, tegenbeweging
cilindrisch
Twee tegenbewegingen: De langzaamste tegenbeweging is de sferische, de snelste
meebeweging is de cilindrische
9. Sferische waarde: Voeg plus- of minglazen toe tot het flitspunt
10. Stel daarna je bundel in op de lichtreflex 90° daarop en skiascopeer tot het flitspunt
11. Cilindrische waarde: Voeg mincilinder toe tot het flitspunt in dezelfde richting als de bundel
12. Haal het werkglas eruit
Binoculaire refractie (Prisma dissociatie volgens Von Graefe) Alleen geschikt bij gelijke visus
1. Voer een monoculaire subjectieve refractie uit (zonder rood-groen proef)
2. Check of de visus bij beide ogen gelijk uit komt (Anders deze test niet uitvoeren!)
3. Selecteer een geïsoleerd optotype van 0,63 of 0,5 (Het moet tenminste twee visusregels
groter zijn dan de beste visus)
4. Nevel beide ogen met S + 1,00 en controleer de visus van beide ogen
5. ‘’Zou u beide ogen willen sluiten?’’ Zet de draaiprisma’s voor beiden ogen
OD: 3 prdpt basis beneden OS: 3 prdpt basis boven
6. Laat de proefpersoon de ogen openen en vraag wat de proefpersoon ziet De proefpersoon
hoort nu alles dubbel te zien
Zo niet? De proefpersoon ziet één beeld: Controleer of de proefpersoon met ieder oog
apart de letter kan zien door één oog af te sluiten. Als er maar één beeld gezien wordt, kun je
de verticale prisma’s langzaam vermeerderen tot maximaal 5 prdpt.
Nog steeds geen dubbelzien? Stop met deze test
7. ‘’Kunt u de letters nog lezen?’’ (Wazig maar wél leesbaar)
Zo niet? De proefpersoon kan de letters niet lezen (Te wazig): Het optotype kan worden
aangepast (grotere letter) of eventueel de hoeveelheid sferisch plus verminderen tot de
proefpersoon de letter kan lezen
De proefpersoon ziet de letters scherp (Niet wazig genoeg): Vermeerder de sferische
plussterkte voor beide ogen totdat beide letters wazig zijn geworden(maar wel nog leesbaar)
8. ‘’Welke letter is duidelijker, de bovenste, de onderste of even wazig?’’
9. Voeg sferisch S +0,25 toe voor het oog met het scherpste beeld totdat beide beelden even
wazig zijn. Controleer of de letter nog leesbaar is.
10. Verwijder de draaiprisma’s
11. Ga terug naar de visuskaart. Beide ogen zijn nog geneveld met ongeveer S +1,00 dpt
12. Voer een sferische binoculaire na refractie uit. Verminder de sterkte stapsgewijs met S – 0,25
dpt tot de maximale visus bereikt is (met maximaal plus)
Subjectieve oogstand bepaling (Foriebepaling volgens ‘Von Graefe’)