Begrippen Psychologie en Voeding
Addendum hoofdstuk 2
• groepen = gezin, school, sportclub, werk, etc. Deze groepen kunnen elkaar (deels) overlappen.
• socialisatie = om deel uit te maken van deze groepen is het nodig dat het individu zich aanpast
aan de hierbinnen geldende opvattingen, oordelen en gedragingen.
• cultuur = het geheel van normen en waarden die door meer mensen gedeeld en overgedragen
worden. Het kan betrekking hebben op zowel materiële zaken (bijv. bouwstijlen) als immateriële
zaken (bijv. religies). Landen, organisaties of gezinnen kunnen een eigen cultuur hebben.
• normen = gedragsregels; geven aan wat iemand geacht wordt al dan niet te doen in bepaalde
situaties. (bijv. koekje bij de koffie of netjes je bord leeg eten.)
• waarden = doelen die nagestreefd worden. (bijv. respect voor ouderen hebben of altijd het beste nastreven)
• internalisatie = nieuwe leden van een samenleving worden geacht de normen en waarden
hiervan te accepteren en zich eigen te maken.
• sociale rol = een bepaalde positie die een individu in een groep inneemt waarbij bepaald gedrag
verwacht wordt.
• rolschema = het typerende gedrag dat bij een bepaalde rol hoort.
• dubbelrolsituatie = bijvoorbeeld zowel verzorgende als patiënt zijn.
• rolconflicten = treden op wanneer iemand moet voldoen aan twee tegenstrijdige
verwachtingspatronen. (bijv. een leidinggevende diëtist die zowel aan de wensen van zijn collega-diëtisten als aan
die van het ziekenhuismanagement moet voldoen.)
• sociale vergelijking = mensen zijn geneigd zichzelf te vergelijken met personen uit zijn of haar
sociale omgeving.
• gedragsimitatie = mensen zijn geneigd om elkaars gedrag te imiteren in een sociale situatie.
• sociale normen = normen die men afleidt uit zijn of haar sociale omgeving (zie ook ‘normen’).
• sociale uitsluiting = mensen zijn geneigd aansluiting te zoeken bij de groepen waar ze in acteren
en daardoor bang om uitgesloten te worden indien zij onvoldoende aan de normen en waarden
van de groep voldoen.
1
, Begrippen Addendum Inleiding in de Psychologie voor Paramedici
Addendum hoofdstuk 3
• cognitieve ontwikkeling = de ontwikkeling van kennis over de omringende wereld.
• Piaget = Zwitser (1896-1980) die zich had toegelegd op het onderzoeken van deze cognitieve
ontwikkeling van kinderen tot aan de puberteit.
Overzicht cognitieve vaardigheden die kinderen in verschillende stadia ontwikkelen volgens Piaget
Stadium Leeftijd Kenmerken
1. sensomotorisch 0-2 jaar • Ontwikkeling van het functioneren op lichaamsniveau:
tasten, voelen, proeven
• Ontwikkelen van de motoriek
• Ontwikkelen van het geheugen
• Persoons- en objectpermanentie (rond 8-12 maanden)
(voor het kind blijven mensen en objecten bestaan die zich niet in
zijn gezichtsveld bevinden)
2. pre-operationeel 2-7 jaar • Ontwikkeling van het spreken
• Verfijning van de motoriek
• Ontwikkeling van het ik, egocentrisme; het kind leert
dat het een eigen persoon is
• Animisme (levenloze objecten wordt een ziel toegekend)
3. concreet- 7-11 jaar • Ontwikkeling tot het kunnen vergelijken van lengte en
operationeel hoeveelheid
• Ontwikkeling tot het kunnen ordenen, tellen en
rekenen
• Ontwikkeling van het figuratieve denken
4. formeel- vanaf 11 jaar • Ontwikkeling van het ruimtelijk denken
operationeel • Ontwikkeling van het abstract denken
• Leren logisch te denken en conclusies te trekken
• perceptie = hoe iets waargenomen wordt; er wordt betekenis gegeven aan een sensorische
stimulus. Wanneer iemand bijvoorbeeld serieus kijkt, kan een ander dit percipiëren als boos
kijken. En als iemand die je aardig vindt, jou aanraakt, percipieer je dat waarschijnlijk als prettig.
Ook bij concrete producten vindt perceptie plaats. Een voedingsmiddel met een claim erop (‘met
extra vitamine C’) zal als gezonder worden gepercipieerd dan een voedingsmiddel zonder deze
claim.
• associaties = associaties zijn gedachten die mensen hebben bij het zien of horen van iets. Bij
associëren worden dingen met elkaar in verband gebracht, ongeacht of dit terecht is of niet. Zo
zal iedereen andere associaties hebben bij de term ‘gezonde voeding’, al zal er in dit voorbeeld
wel een grote overlap zijn van associaties.
• concept = een mentale categorie waarin (nieuwe) ervaringen ondergebracht kunnen worden. Een
concept bestaat uit een verzameling kenmerken die iemand bij verschillende vertegenwoordigers
van dit concept heeft waargenomen. Zo is iets wat veren, vleugels en maar twee poten heeft,
een vogel.
• schema = “een cluster van verwaten concepten die een algemeen conceptueel kader vormen
voor het denken over een thema, gebeurtenis, voorwerp, mensen of situaties in je leven”
(Zimbardo p. 137). Een schema van een ziekenhuis bestaat bijvoorbeeld uit de concepten groot
gebouw, artsen, patiënten, balies, verpleegzalen enzovoort.
2