Probleem 14. Wie zijn onze landgenoten?
1. Wat zijn de verschillen tussen de migrantengroepen (schema)?
2. Wat is de theorie van Harkness & Super?
3. Is het gebruik van de term ‘allochtoon’ gepast en juist?
Hoofdstuk 6: Cultuur
Door F. van der Horst et al.
Inleiding. Een kwart van de Nederlanders is van niet-Nederlandse herkomst waarbij 8% van
westerse herkomst is en 17% van niet-westerse herkomst (85% 2e generatie). Theorievorming
is gebaseerd op onderzoek in westerse culturen waardoor theorieën en kennis niet altijd
bruikbaar zijn binnen andere culturen. In dit hoofdstuk gaat het over interculturele pedagogiek
waarbij theorie en kennis belicht worden vanuit een internationaal onderzoeksperspectief.
Dé allochtoon. Allochtonen worden ook wel omschreven met Nederlander, buitenlander,
migrant, immigrant, nieuwkomer of gastarbeider. Het woord ‘allochtoon’ komt uit het Grieks
(allos betekent anders/vreemd en chtonos land) en betekent letterlijk ‘van een andere bodem’.
De term is geïntroduceerd door de sociologe Hilda Verwey-Jonker ter vervanging van het toen
gangbare woord immigrant. Officieel is de definitie van allochtoon: iemand die in NL wont en
staat ingeschreven en van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij
wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (eerste
generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (tweede generatie). Nadelen van het
gebruik van de term is stigmatisering en alle allochtonen over één kam scheren.
Migratiegeschiedenis. Tussen 1550-1800 was NL verreweg het rijkst en in religieus opzicht
het meest tolerante land van Europa wat (ook door grote handelscompagnieën zoals VOC)
veel immigranten aantrok. In de 19e eeuw nam de migratie af (NL verloor positie in
internationale handel omdat buurlanden een voorsprong kregen in industrialisatie). In de
eerste helft van de 20e eeuw werd het migratieproces naar NL gekenmerkt door vluchtelingen
uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog waarbij migratie na de Tweede Wereldoorlog is samen
te vatten in zes migratiegolven. (1) Repatrianten uit Nederlands-Indië: Nederlanders geboren
in Indië en Indonesische staartburgers die Nederlands-Indië verlieten (1940-1950). (2)
Arbeidsmigratie uit Spanje, Italië, Turkije, Marokko, Algerije en Tunesië (1960) waarvan
Marokkanen en Turken nu de grootste groep migranten vormen. (3) Gezinshereniging en
-vorming van Marokkaanse en Turkse migranten (1970). (4) Surinaamse immigranten (1970-
1980) die vandaag de dag ook nog steeds een grote groep migranten vormen. (5)
Asielmigranten (1980-1990). (6) Arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa (2000).
Marokkaanse en Turkse migranten (respectievelijk 381 duizend en 397 duizend).
De belangrijkste migratieredenen voor deze groep zijn economisch van aard. Rond 1960-1970
was er een tekort aan lager opgeleide arbeidskrachten wat maakte dat Nederland actief
wervingsverdragen sloot om arbeidsmigratie (van tijdelijke aard waardoor er geen sprake was
van integratiebeleid) te stimuleren. Marokkaanse en Turkse migranten maakten hier gebruik
1
,van (ook met de gedachte uiteindelijk terug te keren naar het eigen land). Door de opkomende
industrie en de daarmee toenemende welvaart in Italië en Spanje, keerden veel van deze
mensen tussen 1965 en 1975 weer terug naar het land van herkomst. De arbeidsmigratie uit
Marokko en Turkije eindigde met de recessie in 1970 (hierna voerde NL een restrictief
arbeidsmigratie beleid in). Economische achterstand in het land van herkomst in 1980 maakte
dat Marokkanen en Turken in NL bleven waarmee de gezinsmigratie en -vorming startte.
Surinaamse migranten (349 duizend). Suriname is van 1667-1975 een Nederlandse
kolonie geweest met een plantage-economie. Na de afschaffing van de slavernij in 1863
werden contractarbeiders uit India en Indonesië gehaald om leegloop van de plantages tegen
te gaan waardoor de grootste bevolkingsgroepen in Suriname Creolen, Hindoestanen,
Chinezen en Javanen zijn. In 1960 kwam er voor het eerst een grotere migratiestroom op gang
(daarvoor waren het vooral studenten die hier kwamen studeren), voornamelijk vanwege de
economische vooruitgang in NL. Met de naderende onafhankelijkheid van Suriname in 1975
wam een tweede grote migratiebeweging op gang welke bestond uit Surinaamse migranten
die vertrokken vanwege achterblijvende welvaartsgroep. Daarnaast speelde voor
Hindoestaanse Surinamers angst voor politieke overheersing door Creoolse Surinamers een
belangrijke rol in de aanloop naar onafhankelijkheid. In 1980 werd de visumplicht ingevoerd
waarmee de periode tussen 1975 en 1980 een periode werd waarin een overgangsregeling
migratie tussen beide langen regelde. Als Surinamers in Suriname bleven, kregen zij
automatisch een Surinaamse nationaliteit kregen. Als Surinamers naar NL kwamen, kregen ze
een Nederlandse nationaliteit. Het NL beleid wekte de indruk dat na de invoering van de
visumplicht in 1980 er geen mogelijkheid meer zou zijn om naar NL te gaan waardoor veel
Surinamers voor de afloop van de omgangsregeling naar Nederland kwamen en Nederlander
werden. Toen de economische situatie in Suriname in 1990 verslechterde, kregen
migratiefactoren weer een meer economisch karakter. De Surinaamse bevolking kent een
diverse sociaaleconomische achtergrond (eerst waren immigranten hoger opgeleid, later lager
opgeleid. Toch is SES van Surinamers in NL hoger dan Marokkaanse en Turkse migranten).
Chinese migranten (84.3 duizend). De meeste Chinezen zijn in vier immigratie
golven naar NL gekomen. (1) Rond 1900 arriveerden jonge Chinese zeelui in Rotterdam als
goedkope arbeidskrachten. (2) Na de WOII vestigden Chinezen uit voormalige Nederlandse
koloniën zich in NL (1960) en richtte Chinese restaurants op. (3) In 1970-1980, tijdens de
bloeiperiode van Chinese restaurants in NL, kwamen er meer arbeidsmigranten uit Hong
Kong en China. Dit waren eerst vooral mannen, en daarna ook vrouwen en andere
familieleden (gezinsvorming en -hereniging). (4) Rond 1980 maakte China emigreren naar het
buitenland op bepaalde gebieden (bijv. studeren) makkelijker waardoor een nieuwe stroom
migranten op gang kwam. In 1990 maakte NL migratieregels strenger waardoor het minder
makkelijk was om op grond van economische redenen naar NL te komen. Vanaf 2000 nam de
immigratie van Chinezen echter sterk toe (vooral door jongvolwassenen die hier kwamen om
te studeren of voor (kennis)werk). Een belangrijk verschil met eerdere stromingen is dat
nieuwe groepen Chinese migranten meestal niet van plan zijn in Nederland te blijven.
Poolse migranten (138 duizend). Voor de toetreding van Polen tot de EU in 2004,
betrof immigratie uit Polen vooral de zogenoemde ‘Poolse bruiden’ (trouwden met autochtone
Nederlander). Sinds de toetreding tot de EU neemt de immigratie van Polen naar Nederland
jaarlijks toe. In 2007 werd de tewerkstellingsvergunning afgeschaft voor Poolse werknemers
2
,en is de NL arbeidsmarkt vrij toegankelijk voor Polen. Ondanks dat Polen de afgelopen jaren
economische groei doormaakte, kent het land hoge werkloosheidscijfers. Nederlandse
werkgevers in de industrie, tuin- en landbouw en schoonmaakbranche staan te springen om
laagopgeleide arbeidsmigranten. Polen vormen door hun arbeidsmarktpositie (tijdelijke
contracten in sectoren die seizoengevoelig zijn) een vergelijkbare kwetsbare migrantengroep
als Marokkaanse en Turkse migranten. OP dit moment komt 70% van de Polen NL binnen als
arbeidsmigrant en 20% vanwege gezinsmigratie. Bijna de helft van recent gemigreerde Polen
verwacht in NL te blijven wonen (vooral Polen met een partner en kinderen).
Vluchtelingen. De vier grootste vluchtelinggroepen worden gevormd door Afghaanse,
Iraakse, Iraanse en Somalische migranten. (1) De Iraanse asielmigranten kwamen als eerst
naar NL. Het ging vooral om mensen die afkomstig waren uit de stedelijke middenklasse en
een meer westerse leefstijl wilden behouden nadat Iran een Islamitische Republiek werd na de
Islamitische Revolutie in 1979. Begin jaren ’90 was de toestroom Iraniërs op een hoogtepunt
om daarna weer te dalen. (2) De eerste Afghaanse migranten kwamen in de jaren ’80 naar NL.
In die periode werd het communistische regime afgezet en in 1992 werd de Islamitische staat
Afghanistan uitgeroepen. De Taliban voerden strenge religieuze wetten in. Vanaf 1993 steeg
het aantal asielaanvragen van Afghanen, waarschijnlijk omdat Afghanen die voorheen een
vooraanstaande positie hadden, onder het bewind van de Taliban een vluchtelingenstatus
kregen. (3) Vanaf de jaren ’80 kwamen ook de eerste Iraakse asielmigranten naar NL (vooral
koerden die op de vlucht sloegen voor het geweld van de Iraakse regering tegen hun strijd om
autonomie). Sinds de golf-oorlog in de jaren ’90 nam het aantal Iraakse asielmigranten toe
(aanwezigheid van familie en vrienden belangrijke reden voor keuze voor NL). (4) De
immigratie van Somaliërs begon rond 1985 om vanaf 1990 sterk toe te nemen. Het waren
vooral jonge mannen, weduwen en weeskinderen die vluchtte vanwege de oorlog in Somalië.
Somalische Nederlandse hebben de laagste sociaaleconomische positie in vergelijking met
andere vluchtelingengroepen én klassieke migrantengroepen. Dit is o.a. te verklaren door hun
slechte startpositie en de duur van hun verblijf in NL. De positie van de Iraanse groep is
gunstiger. Over recentere vluchtelingen (o.a. Syrië) zijn nog geen bevindingen beschikbaar.
Immigratie: integratie of assimilatie? Alhoewel migratie van alle tijden is, kunnen
migratiegeschiedenis en -factoren sterk verschillen tussen migranten. Als twee autonome
culturen langdurig en direct met elkaar in contact komen, ontstaat er een cultureel
veranderingsproces dan ook wel acculturatie wordt genoemd. Berry onderscheid aan de hand
van twee dimensies (eigen cultuur willen behouden en aanpassen aan nieuwe cultuur) vier
verschillende acculturatiestrategieën waarbij integratie en assimilatie het meest voor komen.
Behoud van oude cultuur
Ja Nee
Aanpassing aan de Ja Integratie Assimilatie
nieuwe cultuur Nee Segregatie Marginalisatie
De strategieën die worden toegepast hebben invloed op de mate van participatie van
immigranten in maatschappelijke instituties (onderwijs, arbeidsmarkt etc.) en op hun sociale
mobiliteit. Berry onderstreept in zijn model dat migranten niet hun eigen cultuur hoeven op te
geven om zich te kunnen binden aan de andere cultuur. Integratie lijkt de beste
3
, acculturatiestrategie en gaat gepaard met een hoger niveau van welbevinden. De openheid
van de cultuur in het gastland voor andere culturen, speelt een belangrijke rol in het
acculturatieproces. Alhoewel de indeling is toe te passen op zowel immigranten als op de
bevolking van het gastland, wordt de indeling meestal eenzijdig gebruikt (voor immigranten).
Interculturele opvoeding: theoretisch kader. De integratie van migranten wordt als
geslaagd beschouwd als zij volledig gelijkwaardig participeren in de samenleving, dezelfde
kansen hebben en zich verbonden voelen met de samenleving en is daarom een proces dat
enkele generaties kan duren. In de meeste theoretische modellen die gericht zijn op het in
kaart brengen van de opvoeding en ontwikkeling van het kind, wordt weinig rekening
gehouden met cultuur(verschillen) in de directe omgeving van kinderen. De
ontwikkelingspsychologen Harkness en Super hebben daarom het ecologisch model van
Bronfenbrenner als basis gebruikt voor het in kaart brengen van de culturele dimensie van
opvoeding. In het ecologisch model wordt de culturele dimensie beperkt tot het macroniveau.
Toch hebben migrantenkinderen en hun ouders op alle niveaus van het ecologisch model te
maken met sociale structuren die zijn gerelateerd aan zowel het land van herkomst als aan de
Nederlandse samenleving. Het theoretisch raamwerk van de developmental niche zoals
ontwikkeld door Harkness en Super, vormt met zijn culturele dimensie een aanvulling op het
model van Bronfenbrenner. De developmental niche bevindt zich op het microniveau binnen
het ecologische model en bestaat uit drie subsystemen die wel weer ingebed zijn in de wijdere
culturele en ecologische context:
- De fysische en sociale omgevingen waarin het kind leeft: bijv. in westerse culturen is
het gebruikelijk dat kinderen een eigen slaapkamer hebben en in een eigen bed slapen.
- Cultureel bepaalde gewoonten van verzorging en opvoeding: bijv. verschillen in de
opvoeding van jongens en meisjes of kinderen
die voor jongere siblings zorgen.
- De psychologie van opvoeder: opvattingen van
opvoeders over kinderen en over de verzorging,
opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
De drie subsystemen vormen samen de culturele
context van de opvoeding/ontwikkeling van het kind.
Elk van de subsystemen heeft een eigen wisselwerking
met de wijdere culturele en ecologische context (bijv.
school, vriendjes, overheidsbeleid etc.). Als een van de
sub-systemen verandert, is het mogelijk dat de andere
subsystemen zich ook aan moeten passen.
Overheid schrapt 'allochtoon' per direct uit vocabulaire
Door R. Meijer & M. Sommer
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zien met onmiddellijke ingang af
van het woordgebruik allochtoon en autochtoon omdat de begrippen niet
precies genoeg zijn (diversiteit en beweeglijkheid onder migranten is zo
4