AANTEKENINGEN CASUSTOETS
Blok 2, leerjaar 2, Hogeschool Viaa
Laura
, 1. De student stelt op basis van preventiegericht analyseren en vanuit een theoretisch
onderbouwd plan, interventies op voor een individu of een groep ter bevordering van
gezond gedrag.
2. De student kan op basis van een casus belangrijke aandachtspunten en knelpunten
benoemen in de communicatie met zorgvragers en past hierbij theorie, gesprekstechnieken
en informatie- en communicatie technologie toe.
- Communicatie →Duidelijk kunnen verantwoorden en bewijzen wat je aan het doen bent.
- Interculturele communicatie = communicatie tussen zenders en ontvangers uit verschillende
culturen
- Laagcontext communicatie = in Laag-context colturen wordt informatie expliciet
gecommuniceerd. Dat wil zeggen: met woorden. Woorden, gesproken of geschreven zijn
belangrijk. In laag-context culturen hebben mensen behoefte om informatie te structureren
in segmenten of in delen, in compartimenten. Als mensen met elkaar omgaan hebben ze
behoefte aan gedetailleerde achtergrond informatie.
- Hoogcontext communicatie = in hoog-context-culturen zit een deel van de boodschap in de
persoon zelf, en in de context van de boodschap. Dus wordt er weinig expliciet met zoveel
woorden overgedragen, maar veel juist impliciet en non-verbaal. Want één woord of gebaar
over de context is voldoende om het hele verhaalt te begrijpen. Onder context valt ook het
geheel van de historische achtergrond, relatie, status, sfeer, tijd van de dag, en de plaats
waarin de communicatie afspeelt. Mensen in hoog-context-culturen leven in grote
gemeenschappen, en beschikken over brede netwerken, waarbij persoonlijke en zakelijke
netwerken op een natuurlijke wijze in elkaar overvloeien. Via hun netwerken houden
mensen elkaar op de hoogte van heel veel informatie.
Gesprekstechnieken:
- Motiverende gespreksvoering
- LSD = luisteren, samenvatten, doorvragen
- OMA = oordelen, meningen en adviezen
- ANNA = altijd navragen, nooit aannemen
- NIVEA = Niet invullen voor een ander
- OEN = open, eerlijk en nieuwsgierig
- DIK = Denk in kwaliteiten
- Verdiepende vragen stellen
- Vragen stellen
- Doorvragen
- Feedback geven
- Regie nemen
- Kort en bondig
3. Op basis van klinisch redeneren en verpleegkundige methodiek vanuit verpleeg theoretische
principes de zorgbehoefte vaststellen.