Residentiële omgeving: hetzij tijdelijk of langdurig, vrijwillig of onder dwang).
Stakeholder: elk persoon of elke groep die het bereiken van organisatiedoelen kan beïnvloeden of
daardoor wordt beïnvloed.
Transitie: is een structurele verandering die het resultaat is van op elkaar inwerkende en elkaar
versterkende ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld economie, cultuur, technologie,
instituties en natuur en milieu.
Collectief: als samenwerkingsverband is een groep mensen die één of meerdere belangen nastreven
door middel van samenwerking.
Generalist: met een generalist bedoelt men iemand die niet ergens in is gespecialiseerd maar over
allerlei onderwerpen een behoorlijke basiskennis heeft.
Interdisciplinair: als iets verschillende vakgebieden betreft.
Protocol: een gedragsovereenkomst.
Emancipatie: is het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde
positie.
Achterstelling: iemand niet dezelfde rechten geven omdat hij een bepaalde eigenschap heeft.
Sociale ongelijkheid: is de ongelijke verdeling over personen en groepen van zaken die belangrijk
worden geacht in een samenleving.
Verrechtsing: dat de samenleving steeds rechtser wordt, dat rechtse waarden en opvattingen,
normen en waarden dominant zijn geworden. (behoudend/conservatief)
Multifunctioneel centrum: een aaneengesloten gebied in een woonkern buiten de binnenstad.
Animal laborans: wordt ook wel werkende mens genoemd. Bij gebrek aan binding met de arbeid
boos consumptie een alternatief als motivatie.
Arbeiderisme: opvatting dat de arbeidersklasse superieur is ten opzichte van andere klassen.
Determinisme: levensbeschouwing volgens welke lot en gedrag van mensen worden bepaald door
omstandigheden van buitenaf.
Gedegenereerde jeugd: achteruitgang van de jeugd.
Zedenverwildering: de teloorgang van algemeen aanvaarde normen en waarden, met name op
seksueel gebied.
Body of knowledge: is het kennisdomein van een beroepsgroep, waaraan de professional zijn
theoretische en praktische kennis, inzichten en methoden ontleent.
Child migrants: kinderen in migratie zijn de beweging van mensen tussen de 3 en 18 jaar binnen of
over de politieke grenzen.
Displaced persons: een persoon die wordt gedwongen om hun thuis te verlaten door oorlog of
vervolging.
Policy: beleid.
Resolution: beslissing.
Aanbodgestuurd: gericht op de nuttige toepassing of het nuttig gebruik van het aanbod.
Diploma-inflatie: is het verschijnsel dat doordat men steeds meer en steeds hogere diploma’s haalt
een diploma verhoudingsgewijs steeds minder waard wordt.
Faciliteren: ondersteuning bieden.
Geheelonthouding: is het afzien van het gebruik van alcohol. Mensen hebben vaak principiële,
sociale of gezondheidsredenen om dat te doen.
Versnippering: een grote groep verdeelt zich over heel veel kleinere groepen.
Armenzorg: hulp aan mensen die niet zelf in hun materiële behoeften kunnen voorzien.
Social casework: is een proces dat wordt aangewend om de individuele mens te helpen
doeltreffender het hoofd te bieden aan moeilijkheden in zijn maatschappelijke functioneren.
Vrijemarkteconomie: is een economie waar de inzet van productiemiddelen geheel wordt bepaald
door vraag en aanbod en particulier initiatief.
Woningopzichteres: haalden wekelijks de huur op, zorgden dat gebreken hersteld werden en gaven
advies bij werkloosheid of schulden.