,Hoofdstuk 7: Data Organization.
To understand the importance of properly naming items.
Begrijpen van het belang van het goed benoemen van items.
Als een item niet goed of verwarrend wordt benoemd, is het lastiger om toegang te krijgen tot de
data.
Er zijn een paar regels die gevolgd moeten worden om een item een naam te geven:
- De namen moeten uniek zijn.
- Een item moet niet meer dan 1 naam hebben.
- De naam moet beschrijven zijn.
- De naam moet gerelateerd zijn aan de locatie van het item.
Voorbeeld: het World Wide Web (www): elke webpagina heeft een unieke naam.
To understand how a computing system organizes data in memory.
Begrijpen hoe een computersysteem gegevens in het geheugen organiseert.
Dit wordt in een lijst gedaan, bijvoorbeeld:
- Een lijst (list) is een reeks items die in een bepaalde volgorde zijn gepositioneerd. Elk item op
een lijst kan geïdentificeerd worden bij zijn positie op de lijst. Degene die het hoogst op de
lijst staat is het meeste waard.
To understand how lists, trees, and graphs can be stored in memory.
Begrijpen hoe lijsten, trees (boomstructuur), en grafieken in het geheugen kunnen worden
opgeslagen.
Een array is misschien de eenvoudigste manier om een lijst in het geheugen op te slaan. Een array
slaat elk item op in het geheugenadres dat overeenkomt met de itemspositie in de lijst.
De array kan zijn locatie niet veranderen noch kan het zijn lengte veranderen!
Een ‘tree’ is een soort grafiek die bedoeld is om hiërarchische gegevens te modelleren. Meer
specifiek, een ‘tree’ is een grafiek die de volgende kenmerken heeft:
- Precies een vertex met in-degree nul; deze vertex staat bekend als de Root.
- Elke vertex anders dan de root heeft een in-degree van één.
- Er is een pad van de root naar elke andere vertex.
Grafieken worden in het geheugen opgeslagen met behulp van array-achtige technieken.
To understand how lists, trees, and graphs are correlated to familiar concepts such as family tress,
road maps, and organizational charts.
Om te begrijpen hoe lijsten, boomstructuren en grafieken worden gecorreleerd met bekende
concepten zoals familiebomen, wegenkaarten en organisatorische grafieken.
Ze geven allemaal een overzicht een schema weer.
Understand how idexing is used to organize data in memory.
Begrijpen hoe indexering wordt gebruikt om gegevens in het geheugen te organiseren.
Indexering associeert een uniek nummer met elk item in een set data en maakt het mogelijk om de
items te identificeren door hun index (makkelijk te vinden).
, Understand how linking is used to organize data in memory.
Begrijpen hoe koppelingen worden gebruikt om gegevens in het geheugen te organiseren.
Het verbinden van gegevens in het geheugen is de meest voorkomende techniek voor het opslaan
van een lijst in het geheugen. Wanneer we gegevens koppelen, vormen we een ketting van items die
verstrooid zijn door het geheugen, maar toch goed georganiseerd en gemakkelijk gemanipuleerd.
Woorden:
Adjacency: Nabijheid.
Anchor: (Of base address), is het geheugenadres van het eerste item in de array.
Arc: Een geordend paar knooppunten die een eenrichtingsverbinding tot stand
brengen van het eerste knooppunt naar het tweede knooppunt.
Array: Rangschikking.
Base address: (Of anchor/anker) de locatie van de array, is het geheugenadres van het
eerste item in de array.
Cycle: Een pad waar de lengte groter is dan 0 en de eerste en de laatste bogen
hetzelfde zijn (beide naar hetzelfde punt terug). Een grafiek zonder cycle is
een acyclic graph.
Directed graph: Gerichte grafieken, set van knooppunten (nodes) en set van bogen (arcs).
Disc: CD/DVD’s, worden gegevens die op deze apparaten zijn opgeslagen ook op
linaire wijze geregeld. Elke ‘disc’ is verdeeld in concentrische ringen bekend
als tracks.
Edge: Rand, een verbinding tussen twee knooppunten (nodes).
Family tree: Toont de genealogische relatie tussen voorouders en hun nakomelingen.
Geocaching: Is een real-world schatjacht spel waar spelers proberen verborgen schatten
te lokaliseren, bekend al geocaches, door gebruik te maken van GPS.
In-degree: Is het aantal bogen in de grafiek waar een boog als tweede heen gaat.
Indexing: Associeert een uniek nummer met elk item in een set data en maakt het
mogelijk om de items te identificeren door hun idex.
Leaf: Elk knooppunt dat een out-degree van 0 heeft. Bladeren in een tree.
Linked list: Wanneer we gegevens koppelen, vormen we een keten van items die
verspreid zijn door het geheugen, maar toch goed georganiseerd en
makkelijk te manipuleren zijn.
Linquistics: Is de formele en wetenschappelijke studie van de menselijke taal.
List: Een reeks items die zijn gerangschikt in een bepaalde volgorde.
Location: Locatie
Loop: Een boog zodandig dat de eerste en de tweede knooppunten hetzelfde zijn.
Memory: Geheugen.
Node: Knooppunt, vertegenwoordigt een aantal real-world items.
Order: Volgorde van een grafiek in het aantal bogen.
Organization chart: Organisatorisch diagram dat de autoriteitsstructuur van een organisatie
toont en de relaties en rapportages die tussen de mensen die deel uitmaken
van de organisatie bestaan.
Out-degree: Is het aantal bogen in de grafiek waar de boog als eerste vertrekt.