Samenvatting Filosofie kennistoets.
Leerjaar 2. Periode 1.
Beroepsethiek & verantwoordelijkheid
Opleidingsprofiel voor pedagogen bestaat uit 3 onderdelen
Boa: beroepshouding die van je verwacht wordt. In de beroepscode staan normen/waarden van de
beroepsgroep/richtlijnen voor handelen.
1. BoS: Body of Skills
• Wat moet ik kunnen?
2. BoK: Body of Knowledge
• Wat moet ik weten?
3. BoA: Body of Attitudes
• Welke houding moet ik hebben?
a) Verantwoordelijk
b) Respectvol
c) Kritisch
d) Reflectief
e) Pedagogisch
Methodische cyclus en ethiek? (interventies zijn gericht op verandering van de situatie).
Een competent pedagoog werkt volgens de methodische cyclus:
- Oriëntatie: wat is het probleem
- Ontwikkelen: welke interventie is effectief bij dit probleem?
- Uitvoeren: Ik voer de interventie op een kundige wijze uit.
- Evalueren: Heeft mijn interventie het gewenste effect?
- Bijstellen: Hoe kan ik het probleem effectiever oplossen?
Ethische dilemma’s
Geen: Ik wil naar Amsterdam; welke kant ga ik op? Ik kan twee routes kiezen. Hoe hang ik een schilderij op? Met een spijker
of een schroef? Welke toetje neem ik? Etc. Gaan over de vraag wat effectief is, dus geen ethisch dilemma.
Geen ethische oordelen:
• Technische oordelen: wat werkt het beste
• Smaakoordelen: wat is het lekkerste/mooiste
Ethische oordelen gaan over: wat is (belangrijk voor) een goed leven.
Wat maakt een dilemma ethisch?
Een dilemma wordt ethisch als de vraag erachter zit: wat maakt een goed leven? Wat is een goed leven?
Het filmpje waarbij het kind werd afgenomen van de moeder en vader wat te zien was is het hoorcollege, daarin kon de
vraag gesteld worden: wat is belangrijk in het leven?
Ethische vragen bij de casus
• Wat is het probleem? Voor wie?
• Wat is de impact van de behandeling voor de relatie tussen vader en Jeffrey?
• Wat geeft je het recht om als pedagoog in te grijpen in de relatie tussen vader en zoon?
• Wat vindt de pedagoog belangrijk voor Jeffrey en wat vindt vader belangrijk voor Jeffrey?
Kortom: pedagogisch handelen is meer dan techniek, meer dan het uitvoeren van de meest effectieve interventie bij een
gegeven probleem.
Ethisch stappenplan 1-4 (een breed beeld krijgen van het ethisch dilemma, je laat et dilemma in de volle breedte zien)
Stap 1: beschrijving van de situatie
Stap 2: het benoemen van het ethisch dilemma (In het dilemma sluiten twee dingen elkaar uit)(enerzijds…. Anderzijds…)
Stap 3: handelingsalternatieven: Wat kun je doen?
Stap 4: belangenverheldering (onderscheid maken tussen belang van het kind, ouder, hulpverlener etc.)
- De betrokkenen (kunnen meerdere, tegenstrijdige belangen hebben)
- Eigenbelang, welbegrepen eigenbelang, belang van de ander, algemeen belang
- Verantwoordelijkheden en bevoegdheden
Stap 5: welke waarden en normen spelen een rol in dit dilemma?
Stap 6: welk handelingsalternatief kies je? (je kiest je handelng, je beschrijft de reden(en) waarom je ergens voor kiest. Ik
kies dit.. want dan gebeurt er dit… Benoem of het bij plichtethiek(je moet, een recht, ik vind dat ze recht hebben op) hoort
of gevolgenethiek(resultaten van de handelingen, de gevolgen van iets) en waarom.
Zie Rothfusz p.249 voor een voorbeeld van een uitwerking
1
, Beroepscode:
Staan de normen en waarden in
Functie van de beroepscode:
• Richting geven aan het handelen van de pedagoog
• Profileren naar buiten: wat mag de buitenwereld / mogen betrokkenen verwachten van de pedagoog
De beroepscode bevat normen (o.a. vertrouwelijkheid en toestemming) en waarden (zoals “tot zijn recht komen cliënt”):
“De beroepscode […] formuleert niet alleen het handelen van de professional in voor toetsing vatbare vormen, maar
verwoordt ook waar het professionele handelen precies om gaat en welke waarden als nastrevenswaardig worden gezien.”
Verschillende beroepscodes
- Universitair geschoolde pedagogen en onderwijskundigen.
- Sterk gedacht vanuit behandelrelatie
- BPSW
- Voor de jeugdzorgwerker
- Voor pedagogen, maatschappelijk werkers, SPH’ers, CMV’ers in jeugdzorg.
- Sterk gedacht vanuit problematische opgroeisituatie
Soorten verantwoordelijkheid
Deugdverantwoordelijkheid: wanneer vind jij dat je je werk goed gegaan hebt? (volgt uit persoonlijke normen/waarden)
Taakverantwoordelijkheid: jouw bril in de organisatie. Hierbij zijn verwachtingen van jou, je moet hierbij de regels volgen
van de organisatie. (hoort bij wat de organisatie en beroepsgroep van jou verwachten)
Omstandigheden
Verontschuldigende omstandigheden (Van Dalen), dus niet jouw schuld:
• Onwetendheid
• Dwang
• Overmacht
• Onvermogen
Verzachtende omstandigheden, dus minder jouw schuld:
• O.a. hoofdverantwoordelijkheid bij iemand anders
Volgens Sartre: (mens is vrij om te bepalen hoe hij omgaat met zijn verleden, huidige situatie en wetten/regels)
Kwade trouw = doen alsof je niet anders kan (het is niet mijn keuze, maar het wordt bepaald door de omstandigheden)
• Zijn mensen vrij.
• Zijn mensen bang voor hun vrijheid en de daarbij behorende verantwoordelijkheid.
• Daarom doen mensen alsof ze niet vrij zijn. Dit is kwade trouw.
• Bijvoorbeeld: ik kan je de paarse krokodil niet geven, want zo zijn de regels.
Goede trouw = verantwoordelijk zijn voor je vrijheid (voor keuzes en handelen)(ja het is mijn keuze, ik ben hiervoor
verantwoordelijk, ik kies ervoor om dit te doen).
• Met andere woorden ervoor kiezen integer te zijn. Je ervan bewust te zijn dat je altijd een keuze hebt en dat de
gevolgen van je handelen niet op iemand anders afgeschoven kunnen worden.
2
Leerjaar 2. Periode 1.
Beroepsethiek & verantwoordelijkheid
Opleidingsprofiel voor pedagogen bestaat uit 3 onderdelen
Boa: beroepshouding die van je verwacht wordt. In de beroepscode staan normen/waarden van de
beroepsgroep/richtlijnen voor handelen.
1. BoS: Body of Skills
• Wat moet ik kunnen?
2. BoK: Body of Knowledge
• Wat moet ik weten?
3. BoA: Body of Attitudes
• Welke houding moet ik hebben?
a) Verantwoordelijk
b) Respectvol
c) Kritisch
d) Reflectief
e) Pedagogisch
Methodische cyclus en ethiek? (interventies zijn gericht op verandering van de situatie).
Een competent pedagoog werkt volgens de methodische cyclus:
- Oriëntatie: wat is het probleem
- Ontwikkelen: welke interventie is effectief bij dit probleem?
- Uitvoeren: Ik voer de interventie op een kundige wijze uit.
- Evalueren: Heeft mijn interventie het gewenste effect?
- Bijstellen: Hoe kan ik het probleem effectiever oplossen?
Ethische dilemma’s
Geen: Ik wil naar Amsterdam; welke kant ga ik op? Ik kan twee routes kiezen. Hoe hang ik een schilderij op? Met een spijker
of een schroef? Welke toetje neem ik? Etc. Gaan over de vraag wat effectief is, dus geen ethisch dilemma.
Geen ethische oordelen:
• Technische oordelen: wat werkt het beste
• Smaakoordelen: wat is het lekkerste/mooiste
Ethische oordelen gaan over: wat is (belangrijk voor) een goed leven.
Wat maakt een dilemma ethisch?
Een dilemma wordt ethisch als de vraag erachter zit: wat maakt een goed leven? Wat is een goed leven?
Het filmpje waarbij het kind werd afgenomen van de moeder en vader wat te zien was is het hoorcollege, daarin kon de
vraag gesteld worden: wat is belangrijk in het leven?
Ethische vragen bij de casus
• Wat is het probleem? Voor wie?
• Wat is de impact van de behandeling voor de relatie tussen vader en Jeffrey?
• Wat geeft je het recht om als pedagoog in te grijpen in de relatie tussen vader en zoon?
• Wat vindt de pedagoog belangrijk voor Jeffrey en wat vindt vader belangrijk voor Jeffrey?
Kortom: pedagogisch handelen is meer dan techniek, meer dan het uitvoeren van de meest effectieve interventie bij een
gegeven probleem.
Ethisch stappenplan 1-4 (een breed beeld krijgen van het ethisch dilemma, je laat et dilemma in de volle breedte zien)
Stap 1: beschrijving van de situatie
Stap 2: het benoemen van het ethisch dilemma (In het dilemma sluiten twee dingen elkaar uit)(enerzijds…. Anderzijds…)
Stap 3: handelingsalternatieven: Wat kun je doen?
Stap 4: belangenverheldering (onderscheid maken tussen belang van het kind, ouder, hulpverlener etc.)
- De betrokkenen (kunnen meerdere, tegenstrijdige belangen hebben)
- Eigenbelang, welbegrepen eigenbelang, belang van de ander, algemeen belang
- Verantwoordelijkheden en bevoegdheden
Stap 5: welke waarden en normen spelen een rol in dit dilemma?
Stap 6: welk handelingsalternatief kies je? (je kiest je handelng, je beschrijft de reden(en) waarom je ergens voor kiest. Ik
kies dit.. want dan gebeurt er dit… Benoem of het bij plichtethiek(je moet, een recht, ik vind dat ze recht hebben op) hoort
of gevolgenethiek(resultaten van de handelingen, de gevolgen van iets) en waarom.
Zie Rothfusz p.249 voor een voorbeeld van een uitwerking
1
, Beroepscode:
Staan de normen en waarden in
Functie van de beroepscode:
• Richting geven aan het handelen van de pedagoog
• Profileren naar buiten: wat mag de buitenwereld / mogen betrokkenen verwachten van de pedagoog
De beroepscode bevat normen (o.a. vertrouwelijkheid en toestemming) en waarden (zoals “tot zijn recht komen cliënt”):
“De beroepscode […] formuleert niet alleen het handelen van de professional in voor toetsing vatbare vormen, maar
verwoordt ook waar het professionele handelen precies om gaat en welke waarden als nastrevenswaardig worden gezien.”
Verschillende beroepscodes
- Universitair geschoolde pedagogen en onderwijskundigen.
- Sterk gedacht vanuit behandelrelatie
- BPSW
- Voor de jeugdzorgwerker
- Voor pedagogen, maatschappelijk werkers, SPH’ers, CMV’ers in jeugdzorg.
- Sterk gedacht vanuit problematische opgroeisituatie
Soorten verantwoordelijkheid
Deugdverantwoordelijkheid: wanneer vind jij dat je je werk goed gegaan hebt? (volgt uit persoonlijke normen/waarden)
Taakverantwoordelijkheid: jouw bril in de organisatie. Hierbij zijn verwachtingen van jou, je moet hierbij de regels volgen
van de organisatie. (hoort bij wat de organisatie en beroepsgroep van jou verwachten)
Omstandigheden
Verontschuldigende omstandigheden (Van Dalen), dus niet jouw schuld:
• Onwetendheid
• Dwang
• Overmacht
• Onvermogen
Verzachtende omstandigheden, dus minder jouw schuld:
• O.a. hoofdverantwoordelijkheid bij iemand anders
Volgens Sartre: (mens is vrij om te bepalen hoe hij omgaat met zijn verleden, huidige situatie en wetten/regels)
Kwade trouw = doen alsof je niet anders kan (het is niet mijn keuze, maar het wordt bepaald door de omstandigheden)
• Zijn mensen vrij.
• Zijn mensen bang voor hun vrijheid en de daarbij behorende verantwoordelijkheid.
• Daarom doen mensen alsof ze niet vrij zijn. Dit is kwade trouw.
• Bijvoorbeeld: ik kan je de paarse krokodil niet geven, want zo zijn de regels.
Goede trouw = verantwoordelijk zijn voor je vrijheid (voor keuzes en handelen)(ja het is mijn keuze, ik ben hiervoor
verantwoordelijk, ik kies ervoor om dit te doen).
• Met andere woorden ervoor kiezen integer te zijn. Je ervan bewust te zijn dat je altijd een keuze hebt en dat de
gevolgen van je handelen niet op iemand anders afgeschoven kunnen worden.
2