2016-2017
Vraag 1
In de Urgenda-zaak heeft de Rechtbank Den Haag onlangs beslist dat de staat meer
moet doen om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. De staat
moet ervoor zorgen dat de uitstoot in Nederland in 2020 ten minste 25% lager is dan
in 1990. Deze uitspraak heeft tot veel discussie geleid in de rechtswetenschap.
Sommige rechtswetenschappers zijn van mening dat de rechter in casu te ver is
gegaan in zijn rechtsvormende rol, terwijl andere juristen de uitspraak juist vinden
passen bij een moderne opvatting van rechtsvinding (Van Gestel en Loth spreken in
dit verband van “rechtsvinding 3.0”). Nadere informatie over deze uitspraak vindt u
hierna in de bijlage.
U wordt verzocht een kort essay te schrijven waarin u een standpunt inneemt ten
aanzien van de volgende stelling:
De uitspraak van de rechter in de Urgenda-zaak staat op gespannen voet met de in
onze rechtsstaat gangbare opvatting van rechtsvinding.
Ga in uw essay in op de volgende vragen:
a) Van welke interpretatiemethode(n) maakt de rechter gebruik bij het bepalen
van de omvang van de zorgplicht van de staat, gezien met name de
overwegingen 4.54 t/m 4.63 en 4.89?
De rechter maakt bij de invulling van de zorgplicht gebruik van ten minste 2
interpretatiemethoden:
- de teleologische (niet: theologische!) methode, dwz de rechter kijkt
naar het doel van de relevante wet- en regelgeving, te weten beperking
gevaar of risico van aantasting leefklimaat en hierdoor veroorzaakte
schade.
Zie onder meer r.o. 4.55:
De rechtbank is echter van oordeel dat door de aard van het gevaar (een wereldwijde
veroorzaking) en de in dat verband te verwezenlijken taak (deelrisicobeheer van een
mondiaal gevaar dat tot aantasting van het leefklimaat in Nederland kan leiden) voor
de bepaling van de beleidsruimte en de zorgplicht mede moet worden gelet op de
doelstellingen en beginselen zoals neergelegd in het VN Klimaatverdrag en in het
VWEU”
1