Paragraaf 1
Grootte, oppervlakte en eilandstructuur
Indonesië is de grootste archipel (eilandengroep) ter wereld.
Absolute ligging= Geografische coördinaten.
Relatieve ligging= De ligging ten opzichte van andere gebieden.
De relatieve ligging van de archipel is de omsluiting door de Indische Oceaan, de Zuid-
Chinese Zee en de Grote Oceaan.
Er is een enorme afstand van het oosten naar het westen; er zijn drie tijdzones.
Verbindingen
Het archipelkarakter van het land heeft als een barrière gewerkt. Maar de eilandengroep was
wel makkelijk bereikbaar door middel van zeevaart. De zeevaart speelde een grote rol in de
geschiedenis.
Nog ver vóór de VOC werd via de zee contact met andere landen gelegd.
Paragraaf 2
Klimaat: warm en vochtig
Klimaat wordt bepaald door lage breedteligging en enorme watermassa’s om de eilanden. Er
komen drie klimaten voor: twee vormen van het A-klimaat, het Af-klimaat (in een groot deel
van Indonesië) en het Aw-klimaat (in het zuidoostelijke deel, ook moessonklimaat), en een
Cf-klimaat (in de berggebieden).
Indonesië ligt tussen beide keerkringen: daarom staat de zon het hele jaar om 12 uur hoog
aan de hemel. Hierdoor zijn alle seizoenen zijn warm.
De vele jaarlijkse neerslag valt uit stijgingsregens (ontstaan omdat de zon de aarde sterk
verwarmt) en stuwingsregens (ontstaan als vochtige lucht moet stijgen bij een gebergte).
Moesson
Een moesson is een halfjaarlijkse wind. De andere helft van het jaar komt de wind uit (bijna)
tegenovergestelde richting. Daardoor is er een droge en een natte periode in het jaar. De
moesson brengt de meeste neerslag in de maanden december, januari en februari. Juni, juli
en augustus zijn de droge maanden.
In juli ligt boven Azië een lagedrukgebied (de intertropische convergentiezone, oftewel ITC)
en boven Australië een hogedrukgebied. Hierdoor stroomt lucht vanuit het zuiden richting
Indonesië. Westelijk gelegen regio’s krijgen meer neerslag dan de zuidoostelijk gelegen
regio’s: de lucht legt een langere weg over de warme zee af. Boven Indonesië stijgt de
vochtige lucht door zowel de opwarming van het land (stijgingsregens) als de gebergten
(stuwingsregens). Er vormt zich neerslag.
In januari komt de wind precies uit de tegenovergestelde richting, het noorden. Boven hartje
Azië is het erg koud en is de luchtdruk hoog. In Australië is het zomer, dus warm en is de
luchtdruk laag. Boven zee neemt de lucht waterdamp op. Boven het land van Indonesië stijgt
de lucht, waardoor neerslag ontstaat.
De moesson komt ook voor in delen van Amerika en Afrika, maar vanwege de land-zee
verhouding zijn de winden het sterkst in Azië.
Natuurlijke plantengroei
De begroeiing bestaat vooral uit tropisch regenwoud. Door de afwisseling van de droge en
natte tijd heeft het oosten licht tropisch woud en langs de slibrijke kusten (met eb en vloed en
zout water) groeit mangrovebos. In grote delen is het echter verdwenen.