Biologie samenvatting H8 - Evolutie
§8.1
De mensen dachten eerst dat God alles had geschapen. Ze namen dus aan dat
soorten niet veranderden, maar bleven zoals ze geschapen waren. Dit kon volgens
evolutie niet. Cuvier bestudeerde fossielen afkomstig uit bergen rondom Parijs.
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Hij ontdekte dat fossielen
afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken op de levende organismen in
het gebied daardoor ontstond catastrofetheorie hij baseerde die op
natuurrampen, aardbevingen, overstromingen of zondvloed zoals in bijbel werd
besproken. Door een catastrofe verdwenen alle levende organismen uit getroffen
gebied en door nieuwe schepping ontstonden nieuwe soorten. Op die manier
ontstond volgens Cuvier na elke catastrofe andere fossielen in afzettingslagen.
Lamarck kwam rond 1800 met evolutietheorie verklaarde hoe soorten
veranderen en nieuwe soorten ontstonden. Hij constateerde dat fossielen afkomstig
uit verschillende lagen overeenkomsten in lichaamsbouw vertonen hij ontwierp
stamboom vanaf fossiele soorten naar levende soorten uit die tijd stelde vast dat
nieuwe soorten ontstonden door aanpassing aan omgeving die eigenschappen
gaven ze door aan nakomelingen (zoon smid is daardoor sterker dan zoon
kleermaker) tegenwoordig geloven we hier niks meer van (denk aan nek van
giraffe die groeit met de leeftijd en niet meteen ontstaat)
Darwin kwam in 1859 met andere evolutietheorie hij ontdekte dat binnen populatie
individuen variëren in eigenschappen. Hij zei dat leefomgeving een selectiedruk
uitoefent op overlevingskansen van alle individuen. Individuen die langst overleven,
krijgen meeste nakomelingen. Na enkele generaties bestaat het grootste deel van de
populatie uit individuen die zijn aangepast aan type voedsel dat te vinden is op het
eiland. Lamarck zei dus dat aanpassingen van individuen de evolutie sturen, Darwin
zegt dat achter evolutie selectiedruk uit omgeving is die heeft invloed op aandeel
van een eigenschap in de populatie.
Darwin maakt pas jaren later zijn theorie bekent bang voor christelijke kritiek. Hij
kon namelijk geen verklaring geven voor overerven eigenschappen of ontstaan
nieuwe soort dit gaf Mendel recombinatie van allelen en mutaties in DNA leiden
tot variaties in erfelijke eigenschappen deze ontdekkingen vullen evolutietheorie
aan en zijn verwerkt tot neodarwinistische theorie is nu wel geaccepteerd meer
kennis.
§8.2
Natuurlijke selectie bestaat uit 2 dingen:
1. Struggle for life organismen voeren strijd met soortgenoten om te
overleven.
2. Survival of the fittest individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij
selectiedruk hebben betere kansen om te blijven bestaan zijn fitst in
populatie dus blijven langst leven en krijgen meeste nakomelingen.
Wanneer individuen met gunstige eigenschappen veel nakomelingen krijgen, meet
met elk nieuwe generatie relatieve aandeel van individuen met gunstige
eigenschappen in populatie verder toe na aantal generaties en bij constante
selectiedruk bestaat vrijwel hele populatie uit individuen met die gunstige
§8.1
De mensen dachten eerst dat God alles had geschapen. Ze namen dus aan dat
soorten niet veranderden, maar bleven zoals ze geschapen waren. Dit kon volgens
evolutie niet. Cuvier bestudeerde fossielen afkomstig uit bergen rondom Parijs.
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Hij ontdekte dat fossielen
afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken op de levende organismen in
het gebied daardoor ontstond catastrofetheorie hij baseerde die op
natuurrampen, aardbevingen, overstromingen of zondvloed zoals in bijbel werd
besproken. Door een catastrofe verdwenen alle levende organismen uit getroffen
gebied en door nieuwe schepping ontstonden nieuwe soorten. Op die manier
ontstond volgens Cuvier na elke catastrofe andere fossielen in afzettingslagen.
Lamarck kwam rond 1800 met evolutietheorie verklaarde hoe soorten
veranderen en nieuwe soorten ontstonden. Hij constateerde dat fossielen afkomstig
uit verschillende lagen overeenkomsten in lichaamsbouw vertonen hij ontwierp
stamboom vanaf fossiele soorten naar levende soorten uit die tijd stelde vast dat
nieuwe soorten ontstonden door aanpassing aan omgeving die eigenschappen
gaven ze door aan nakomelingen (zoon smid is daardoor sterker dan zoon
kleermaker) tegenwoordig geloven we hier niks meer van (denk aan nek van
giraffe die groeit met de leeftijd en niet meteen ontstaat)
Darwin kwam in 1859 met andere evolutietheorie hij ontdekte dat binnen populatie
individuen variëren in eigenschappen. Hij zei dat leefomgeving een selectiedruk
uitoefent op overlevingskansen van alle individuen. Individuen die langst overleven,
krijgen meeste nakomelingen. Na enkele generaties bestaat het grootste deel van de
populatie uit individuen die zijn aangepast aan type voedsel dat te vinden is op het
eiland. Lamarck zei dus dat aanpassingen van individuen de evolutie sturen, Darwin
zegt dat achter evolutie selectiedruk uit omgeving is die heeft invloed op aandeel
van een eigenschap in de populatie.
Darwin maakt pas jaren later zijn theorie bekent bang voor christelijke kritiek. Hij
kon namelijk geen verklaring geven voor overerven eigenschappen of ontstaan
nieuwe soort dit gaf Mendel recombinatie van allelen en mutaties in DNA leiden
tot variaties in erfelijke eigenschappen deze ontdekkingen vullen evolutietheorie
aan en zijn verwerkt tot neodarwinistische theorie is nu wel geaccepteerd meer
kennis.
§8.2
Natuurlijke selectie bestaat uit 2 dingen:
1. Struggle for life organismen voeren strijd met soortgenoten om te
overleven.
2. Survival of the fittest individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij
selectiedruk hebben betere kansen om te blijven bestaan zijn fitst in
populatie dus blijven langst leven en krijgen meeste nakomelingen.
Wanneer individuen met gunstige eigenschappen veel nakomelingen krijgen, meet
met elk nieuwe generatie relatieve aandeel van individuen met gunstige
eigenschappen in populatie verder toe na aantal generaties en bij constante
selectiedruk bestaat vrijwel hele populatie uit individuen met die gunstige