Begrippenlijst Kwalitatief
S (spice)- setting
P (spice)- populatie
I (spice)- interest
C (spice)- comparison
E (spice)- evaluatie
Steekproef- deel van de populatie dat onderzocht wordt
Populatie- iedereen waarover je iets wil zeggen
Aselecte steekproef- subjecten worden willekeurig uit de populatie getrokken
Selecte steekproef- subjecten maken deel uit van een selectieproces
Kwalitatief onderzoek- bepaalde kenmerken zoveel mogelijk in de steekproef terug te laten
komen
Gemakssteekproef- subjecten benaderen zonder te veel inspanning te hoeven doen als
onderzoeker
Doelgerichte steekproef- onderzoeker gaat op zoek naar mensen die aan specifieke
voorwaarden voldoen
Quotasteekproef- de onderzoeker stelt van te voren vast hoeveel respondenten met
specifieke kenmerken opgenomen moeten worden
Sneeuwbalsteekproef- de onderzoeker heeft contact met 1 persoon uit de doelgroep,
waaruit nieuwe respondenten leiden
Sequentiële steekproef- onderzoekers leren gedurende het onderzoek welke kenmerken
belangrijk zijn, dus de criteria waaraan respondenten moeten voldoen worden gedurende
het onderzoek aangepast
Iteratief- geen lineair proces, maar er is herhaling mogelijk
Saturatie- het bereiken van ‘verzadiging’ van gegevens
P (leesplan)- preview
L (leesplan)- lezen
A (leesplan)- analyseren
N (leesplan)- nabeschouwen
Index codes- vertegenwoordigen grote stukken tekst en geven brede/algemene
onderwerpen
Analytic codes- beschrijven de betekenis van specifieke stukken tekst
Attribute codes- vaak achtergrond of demografische informatie van de respondent
Sample for range- onderzoeker gaat op zoek naar een zo breed mogelijk scala aan
ervaringen
Case study logic- onderzoeker gaat op zoek naar specifieke individuen die belangrijke info
kunnen geven
Data management plan- data opslag tijdens en na afloop van het onderzoek, om dit zo te
kunnen delen met andere onderzoekers
Empirisch- gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar- in het artikel staat hoe het onderzoek herhaald kan worden
Probabilistisch- iedereen in de populatie heeft even grote kans gekozen te worden
Falsifieerbaar- een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van verzamelde
gegevens
,Spaarzaam- als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze complexer te
maken
Fundamentele onderzoeksvraag- kennis verwerven door onderzoek
Toegepaste onderzoeksvraag- aanbevelingen kunnen doen voor de praktijk door
onderzoek
Inductie- de onderzoeker probeert de werkelijkheid te beschrijven en naar algemeenheden
te zoeken die nieuwe theorieën vormen of aanpassen
Transcript- interview dat volledig is uitgetypt
Field notes- aantekeningen die waardevol kunnen zijn tijdens het analyseren van de data in
een later stadium
Observatie- waarnemen en registreren van gedragingen, gebeurtenissen en interacties
Gate keeper- iemand die toegang biedt tot een plaats voor de observatie
Key informant- staat dichtbij de onderzoeker en geeft veel informatie
Reactiviteit- participanten tonen ander gedrag omdat ze weten dat ze geobserveerd worden
Hawthorne effect- de neiging om je anders te gedragen als je ervan bewust bent dat je
geobserveerd wordt
Going native- de onderzoeker raakt té betrokken bij de participanten
Secundaire data- al verzamelde informatie
Ongestructureerd interview- aspecten hangen af van verloop en context van het interview
Semi gestructureerd interview- er is een topiclist, maar verder hangen de aspecten af van
de context van het interview
Participerend observatieonderzoek- onderzoeker bestudeerd als deel van de groep
Niet participerend observatieonderzoek- onderzoeker bestudeerd van buitenaf
Verhuld observatieonderzoek- de participanten weten niet dat ze geobserveerd worden
Onverhuld observatieonderzoek- de participanten weten dat ze geobserveerd worden
Systematisch observatieonderzoek- de fenomen waar naar gekeken wordt zijn van
tevoren vastgelegd
Niet systematisch observatieonderzoek- de fenomen waar naar gekeken wordt zijn niet
van tevoren vastgelegd
Site- plek waar het onderzoek plaatsvindt
Triangulatie- combineren van verschillende dataverzamelingsmethoden
Informed consent- deelnemer wordt voorafgaand geïnformeerd over onderzoek, risico’s en
voordelen bij deelname
Data analyse- opdelen, sorteren en herschikken van gegevens in segmenten, zodat
specifieke processen of patronen kunnen worden onderscheiden
Inconvenience sample- verzameling gebeurtenissen of mensen die maken dat de
onderzoeker de interpretaties in twijfel moet trekken
Memo- tijdens het hele onderzoeksproces maakt de onderzoeker aantekeningen voor
zichzelf
Deductief onderzoek- vanuit een theorie leidt je specifieke toetsbare verwachtingen af
Uitputtend- alle mogelijke antwoorden staan ertussen
Uitsluitend- er zijn geen overlappende antwoordopties
Restriction of range- een van de variabelen heeft geen vol bereik van scores
Emic focus- benadering waarbij onderzoeker vanuit het perspectief van de respondent kijkt
en haar taalgebruik overneemt
Etic focus- perspectief van de onderzoeker, van buitenaf
Population of interest- de populatie waarover de onderzoeker conclusies trekt
Mozart effect- specifieke bevinding wordt ten onrechte gegeneraliseerd
, Beschikbaarheidsheuristiek- overtuigd zijn door iets wat als eerste in je naar binnen schiet
Present bias- niet denken aan iets wat je niet kan zien
Confirmation bias- focussen op het bewijs dat je wil zien
Bias blind spot- blind zijn voor je eigen vooroordelen
Data fabricatie- het maken van nep data
Data falsificatie- aanpassen van data
S (spice)- setting
P (spice)- populatie
I (spice)- interest
C (spice)- comparison
E (spice)- evaluatie
Steekproef- deel van de populatie dat onderzocht wordt
Populatie- iedereen waarover je iets wil zeggen
Aselecte steekproef- subjecten worden willekeurig uit de populatie getrokken
Selecte steekproef- subjecten maken deel uit van een selectieproces
Kwalitatief onderzoek- bepaalde kenmerken zoveel mogelijk in de steekproef terug te laten
komen
Gemakssteekproef- subjecten benaderen zonder te veel inspanning te hoeven doen als
onderzoeker
Doelgerichte steekproef- onderzoeker gaat op zoek naar mensen die aan specifieke
voorwaarden voldoen
Quotasteekproef- de onderzoeker stelt van te voren vast hoeveel respondenten met
specifieke kenmerken opgenomen moeten worden
Sneeuwbalsteekproef- de onderzoeker heeft contact met 1 persoon uit de doelgroep,
waaruit nieuwe respondenten leiden
Sequentiële steekproef- onderzoekers leren gedurende het onderzoek welke kenmerken
belangrijk zijn, dus de criteria waaraan respondenten moeten voldoen worden gedurende
het onderzoek aangepast
Iteratief- geen lineair proces, maar er is herhaling mogelijk
Saturatie- het bereiken van ‘verzadiging’ van gegevens
P (leesplan)- preview
L (leesplan)- lezen
A (leesplan)- analyseren
N (leesplan)- nabeschouwen
Index codes- vertegenwoordigen grote stukken tekst en geven brede/algemene
onderwerpen
Analytic codes- beschrijven de betekenis van specifieke stukken tekst
Attribute codes- vaak achtergrond of demografische informatie van de respondent
Sample for range- onderzoeker gaat op zoek naar een zo breed mogelijk scala aan
ervaringen
Case study logic- onderzoeker gaat op zoek naar specifieke individuen die belangrijke info
kunnen geven
Data management plan- data opslag tijdens en na afloop van het onderzoek, om dit zo te
kunnen delen met andere onderzoekers
Empirisch- gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar- in het artikel staat hoe het onderzoek herhaald kan worden
Probabilistisch- iedereen in de populatie heeft even grote kans gekozen te worden
Falsifieerbaar- een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van verzamelde
gegevens
,Spaarzaam- als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze complexer te
maken
Fundamentele onderzoeksvraag- kennis verwerven door onderzoek
Toegepaste onderzoeksvraag- aanbevelingen kunnen doen voor de praktijk door
onderzoek
Inductie- de onderzoeker probeert de werkelijkheid te beschrijven en naar algemeenheden
te zoeken die nieuwe theorieën vormen of aanpassen
Transcript- interview dat volledig is uitgetypt
Field notes- aantekeningen die waardevol kunnen zijn tijdens het analyseren van de data in
een later stadium
Observatie- waarnemen en registreren van gedragingen, gebeurtenissen en interacties
Gate keeper- iemand die toegang biedt tot een plaats voor de observatie
Key informant- staat dichtbij de onderzoeker en geeft veel informatie
Reactiviteit- participanten tonen ander gedrag omdat ze weten dat ze geobserveerd worden
Hawthorne effect- de neiging om je anders te gedragen als je ervan bewust bent dat je
geobserveerd wordt
Going native- de onderzoeker raakt té betrokken bij de participanten
Secundaire data- al verzamelde informatie
Ongestructureerd interview- aspecten hangen af van verloop en context van het interview
Semi gestructureerd interview- er is een topiclist, maar verder hangen de aspecten af van
de context van het interview
Participerend observatieonderzoek- onderzoeker bestudeerd als deel van de groep
Niet participerend observatieonderzoek- onderzoeker bestudeerd van buitenaf
Verhuld observatieonderzoek- de participanten weten niet dat ze geobserveerd worden
Onverhuld observatieonderzoek- de participanten weten dat ze geobserveerd worden
Systematisch observatieonderzoek- de fenomen waar naar gekeken wordt zijn van
tevoren vastgelegd
Niet systematisch observatieonderzoek- de fenomen waar naar gekeken wordt zijn niet
van tevoren vastgelegd
Site- plek waar het onderzoek plaatsvindt
Triangulatie- combineren van verschillende dataverzamelingsmethoden
Informed consent- deelnemer wordt voorafgaand geïnformeerd over onderzoek, risico’s en
voordelen bij deelname
Data analyse- opdelen, sorteren en herschikken van gegevens in segmenten, zodat
specifieke processen of patronen kunnen worden onderscheiden
Inconvenience sample- verzameling gebeurtenissen of mensen die maken dat de
onderzoeker de interpretaties in twijfel moet trekken
Memo- tijdens het hele onderzoeksproces maakt de onderzoeker aantekeningen voor
zichzelf
Deductief onderzoek- vanuit een theorie leidt je specifieke toetsbare verwachtingen af
Uitputtend- alle mogelijke antwoorden staan ertussen
Uitsluitend- er zijn geen overlappende antwoordopties
Restriction of range- een van de variabelen heeft geen vol bereik van scores
Emic focus- benadering waarbij onderzoeker vanuit het perspectief van de respondent kijkt
en haar taalgebruik overneemt
Etic focus- perspectief van de onderzoeker, van buitenaf
Population of interest- de populatie waarover de onderzoeker conclusies trekt
Mozart effect- specifieke bevinding wordt ten onrechte gegeneraliseerd
, Beschikbaarheidsheuristiek- overtuigd zijn door iets wat als eerste in je naar binnen schiet
Present bias- niet denken aan iets wat je niet kan zien
Confirmation bias- focussen op het bewijs dat je wil zien
Bias blind spot- blind zijn voor je eigen vooroordelen
Data fabricatie- het maken van nep data
Data falsificatie- aanpassen van data