2.1 Ontwikkeling en leren
Het onderwijs aan jonge kinderen richt zich traditiegetrouw op ontwikkelingsprocessen en
minder op leerinhouden. Bij een focus op leerinhouden richten we ons meestal op
inspanningen die de leerkracht verricht; leerdoelen formuleren, lessen voorbereiden en
uitvoeren en na afloop evalueren. Bij een focus op ontwikkelingsprocessen realiseren we ons
dat voornamelijk het kind zelf de inspanning moet leveren. De rol van de leerkracht in de
onderbouw is niet die van onderwijzer, maar die van stimulator en begeleider. Bij
ontwikkelingsprocessen verandert er op fundamentele, onomkeerbare wijze iets in de
manier waarop we naar de wereld kijken. De kennis die we hebben opgedaan, heeft
betekenis gekregen en is toepasbaar geworden.
Het lijkt eenvoudig: kinderen moeten zich culturele instrumenten eigen maken, die kunnen
wij hun aanreiken en zo zullen zij, dankzij onze bemiddeling, stapsgewijs aan de sociaal-
culturele werkelijkheid kunnen gaan deelnemen. We kunnen kinderen niet zomaar iets
aanbieden zonder rekening te houden met wat ze al weten en kunnen of nog niet. We
moeten onderwijs aanbiedt dat net een stapje boven het ontwikkelingsniveau van het kind
ligt.
2.4 Invloed van het onderwijs op de ontwikkeling: 3 visies.
We bespreken 3 opvattingen over de relatie tussen onderwijs en ontwikkeling
2.4.1 Kinderen ontwikkelen zichzelf
Onderwijs hoeft niet in te grijpen in de ontwikkeling. De van het onderwijs is te voorzien in
een veilige, stimulerende omgeving. Jonge kinderen zijn nieuwsgierig en maken zich graag
vaardigheden eigen die hen in staat stellen deel te nemen aan de echte wereld. Maar
anderzijds zien we grote verschillen tussen kinderen: het ene kind ontwikkelt zich uitstekend,
terwijl het andere kind allerlei belemmeringen op zijn ontwikkelingsweg treft.
2.4.2 Ontwikkeling moet gestuurd worden
Ontwikkeling heeft de beste kansen als ze gestuurd wordt, zoals je ook leerprocessen stuurt.
De programmagerichte visie is doorgaans vertaald naar onderwijsmateriaal waarmee
leerkrachten belangrijk geachte inzichten, kennis en vaardigheden op verschillende
ontwikkelingsgebieden stapsgewijs kunnen aanbieden. Voor het beste resultaat zou gelet
moeten worden op het niveau per kind.
2.4.3 De constructivistische opvatting over leren en ontwikkeling
Constructivisme gaat ervan uit dat kinderen een actief aandeel hebben in het construeren
van hun eigen kennis en inzichten, maar dat daarnaast omgevingsfactoren een belangrijke rol
spelen. We bespreken dit aan de hand van Piaget en Vygotsky.
Piaget dacht bij omgevingsfactoren aan de invloed van de concrete, materiële omgeving:
kinderen moeten een omgeving treffen die uitnodigt tot actief handelen. Het denken van
jonge kinderen ontwikkelt zich door handelen, niet door kijken of luisteren.
Assimileren: als het kind wordt geconfronteerd met iets onbegrijpelijks, dan maakt hij er iets
van dat op dat moment wel te begrijpen is voor hem. Het ontwikkelen van een nieuw, beter
denkschema (het aanpassen van zijn gedachten) heeft accommoderen. Accommoderen en
assimileren wisselen elkaar in de denkontwikkeling af. Er moet een evenwicht zijn tussen
deze 2, het evenwicht wordt equilibratie.
Vygotsky geloofde net als Piaget in aangeboren ontwikkelingsmogelijkheden. Kinderen
hebben niet alleen concrete dingen nodig om mee te handelen, maar ook volwassenen die
hen helpen hun handelingsmogelijkheden uit te breiden, zodat ze steeds beter aan sociaal-
Het onderwijs aan jonge kinderen richt zich traditiegetrouw op ontwikkelingsprocessen en
minder op leerinhouden. Bij een focus op leerinhouden richten we ons meestal op
inspanningen die de leerkracht verricht; leerdoelen formuleren, lessen voorbereiden en
uitvoeren en na afloop evalueren. Bij een focus op ontwikkelingsprocessen realiseren we ons
dat voornamelijk het kind zelf de inspanning moet leveren. De rol van de leerkracht in de
onderbouw is niet die van onderwijzer, maar die van stimulator en begeleider. Bij
ontwikkelingsprocessen verandert er op fundamentele, onomkeerbare wijze iets in de
manier waarop we naar de wereld kijken. De kennis die we hebben opgedaan, heeft
betekenis gekregen en is toepasbaar geworden.
Het lijkt eenvoudig: kinderen moeten zich culturele instrumenten eigen maken, die kunnen
wij hun aanreiken en zo zullen zij, dankzij onze bemiddeling, stapsgewijs aan de sociaal-
culturele werkelijkheid kunnen gaan deelnemen. We kunnen kinderen niet zomaar iets
aanbieden zonder rekening te houden met wat ze al weten en kunnen of nog niet. We
moeten onderwijs aanbiedt dat net een stapje boven het ontwikkelingsniveau van het kind
ligt.
2.4 Invloed van het onderwijs op de ontwikkeling: 3 visies.
We bespreken 3 opvattingen over de relatie tussen onderwijs en ontwikkeling
2.4.1 Kinderen ontwikkelen zichzelf
Onderwijs hoeft niet in te grijpen in de ontwikkeling. De van het onderwijs is te voorzien in
een veilige, stimulerende omgeving. Jonge kinderen zijn nieuwsgierig en maken zich graag
vaardigheden eigen die hen in staat stellen deel te nemen aan de echte wereld. Maar
anderzijds zien we grote verschillen tussen kinderen: het ene kind ontwikkelt zich uitstekend,
terwijl het andere kind allerlei belemmeringen op zijn ontwikkelingsweg treft.
2.4.2 Ontwikkeling moet gestuurd worden
Ontwikkeling heeft de beste kansen als ze gestuurd wordt, zoals je ook leerprocessen stuurt.
De programmagerichte visie is doorgaans vertaald naar onderwijsmateriaal waarmee
leerkrachten belangrijk geachte inzichten, kennis en vaardigheden op verschillende
ontwikkelingsgebieden stapsgewijs kunnen aanbieden. Voor het beste resultaat zou gelet
moeten worden op het niveau per kind.
2.4.3 De constructivistische opvatting over leren en ontwikkeling
Constructivisme gaat ervan uit dat kinderen een actief aandeel hebben in het construeren
van hun eigen kennis en inzichten, maar dat daarnaast omgevingsfactoren een belangrijke rol
spelen. We bespreken dit aan de hand van Piaget en Vygotsky.
Piaget dacht bij omgevingsfactoren aan de invloed van de concrete, materiële omgeving:
kinderen moeten een omgeving treffen die uitnodigt tot actief handelen. Het denken van
jonge kinderen ontwikkelt zich door handelen, niet door kijken of luisteren.
Assimileren: als het kind wordt geconfronteerd met iets onbegrijpelijks, dan maakt hij er iets
van dat op dat moment wel te begrijpen is voor hem. Het ontwikkelen van een nieuw, beter
denkschema (het aanpassen van zijn gedachten) heeft accommoderen. Accommoderen en
assimileren wisselen elkaar in de denkontwikkeling af. Er moet een evenwicht zijn tussen
deze 2, het evenwicht wordt equilibratie.
Vygotsky geloofde net als Piaget in aangeboren ontwikkelingsmogelijkheden. Kinderen
hebben niet alleen concrete dingen nodig om mee te handelen, maar ook volwassenen die
hen helpen hun handelingsmogelijkheden uit te breiden, zodat ze steeds beter aan sociaal-