Samenvatting lesstof sociologie
Socialisatie = een leerproces waarbij mensen zich in directe omgang met andere mensen een cultuur en subcultuur zich
eigen maken. Is een levenslange beïnvloeding en voltrekt zich in groepen! Elke nieuwkomer ineen groep (vriendengroep,
vereniging, opleiding) leert hoe hij zich moet gedragen. Ze moeten nieuwe rollen leren spelen. Dat leren van rollen noem je
socialisatie.
Levenslange proces, onze identiteit wordt gevormd door groepen (normen en waarden). Groepen beïnvloeden je dat het
bijdraagt aan jouw vorming tot wie je bent en wil zijn.
Vormen socialisatie:
-> Naar het soort rol
1. Primaire socialisatie: algemene rollen: kind wordt zindelijk
2. Secundaire socialisatie: specifieke rollen: rol bij de turnvereniging
-> Naar de socialisatie plaats
1. Primair: eerste groep waarmee een persoon in aanraking komt, heeft de meeste invloed op jou: gezin
2. Secundair: de volgende groepen waarmee een persoon in aanraking komt: formeler, sportclub, kinderdagverblijf,
bijbaantje, klas = dynamisch en heeft ook invloed!
3. Tertiair: beïnvloeding vanuit de samenleving waar je woont, media
Allemaal dynamisch = altijd in beweging.
4. Enculturatie = je hele leven binnen een en dezelfde cultuur
5. Acultruatie = doorloop je een socialisatieproces maar maak je een overgang van de ene cultuur naar de andere cultuur.
↓
Assimilatie = volledig aanpassen aan de dominante cultuur. Alles overnemen van de cultuur. We gaan ons aanpassen aan
een groep. Je kan hier volledig in op gaan maar je kan je ook beperken.
Integratie = zegt niet alleen iets over de person die een cultuur binnen komt, maar de dominante cultuur moet ook open
staan voor de nieuwkomer. Je maakt je cultuur eigen, maar de andere staan ook open voor de nieuwe cultuur die
binnnekomt. Altijd van 2 kanten!
Internalisatie = cultuur voelt volledig als eigen. Jouw normen en waarden komen overheen met die cultuur.
Door socialisatie ontwikkelen we:
Referentiekader (sociale bril waarmee je constant de wereld bekijkt en beoordeeld) = mentaal kader in je hoofd dat je
constant gebruikt uit eigen ervaringen die je op doet. (gebruik je met alles wat je tegenkomt, je hebt automatisch
vooroordelen etc.) -> dynamisch.
Autochtonen en allochtonen hebben een andere referentiekader.
Sociaal bewustzijn = kennis en inzicht hebben van het sociaal leven rondom jezelf, besef wie je bent en wie anderen zijn.
We krijgen een beeld in welke sociale positie we innemen: plek die je inneemt in een bepaalde rangorde. Positie: stagiaire,
student, werknemer. Bij elke positie hoort speciaal gedrag. Dit noemen we rolgedrag.
INTER = TUSSEN
INTRA = BINNEN
Collectieve identiteit = identiteit die wij denken dat we zijn (Nederlanders vinden zichzelf ruimdenkend)
Anticiperende socialisatie = in je gedrag en houding vooruitlopen op een toekomstige rol (nog voordat je aan de opleiding
bent begonnen, ben je al bezig met de rol als student)
Het halo-effect = de meeste mensen denken als iemand een goede eigenschap heeft dat hij/zij meerdere positieve
eigenschappen heeft -> bewust verhinderen van logisch rationeel denken. (meisjes zijn lief, dus ook zachtaardig, ze maken
geen ruzie, zijn beleefd).
Posities = plaats in het netwerk van relaties. (aan elke positie zitten meerdere rollen vast)
Toegewezen posities = hoef je niets voor te doen: broer, man, zoon.
Verworven posities = heb je actie voor ondernomen: vriend, D66, student.
Sociale status = maatschappelijk aanzien die je krijgt, de macht
Sociale positie = plek die je hebt in een bepaalde rangorde
Sociaal aanzien = wijze waarop iemand zijn sociale positie bekleed en daar waardering voor krijgt (wel gekoppeld aan
persoon) (daalt bijvoorbeeld wanneer je slechte studiepunten haalt).
Sociale structuur = wijze waarop posities in een samenleving of groep op elkaar betrokken zijn (vader hoort bij kind, docent
bij student, man bij vrouw, maar ook: directeur, uitvoerder, kantoorpersoneel, schoonmaakster).
Rol = gedrag wat je verwacht bij een bepaalde positie. Je hebt meerdere rollen die je aanneemt op een dag. Ouders
verwachten andere dingen van je dan een vriendin.
1
, Role-set = verschillende rollen die voortvloeien uit een positie. In iedere groep heb je een andere positie. In een positie heb
je verschillende rollen.
Rolopvatting = bepaalde opvatting hoe je je moet gedragen in een positie
Roldistantie = het ‘spelen’ van een rol zonder er in te geloven = vervreemding: je doet iets wat niet bij je past.
Rolwisseling = omschakelen van de ene rol naar de andere
Rolattribuut = uiterlijk teken ter herkenning van een positiebekleder (koksmuts, keepershandschoenen, uniform,
trainingspak)
Statussymbolen = uiterlijkheden die verwijzen naar rijkdom, macht, invloed, gezag.. (villa, dure auto, merken).
Rollenconflicten:
Intern rollenconflict = verwachtingen die niet te combineren zijn vanuit één positie. (je bent een man meteen groen hart,
maar ben daarnaast baas van een groot vervuild bedrijf) (role-set)(intra-rollen conflict)
Extern rollenconflict = verwachtingen die niet te combineren zijn vanuit meerdere posities. De verschillende rollen zijn
gekoppeld aan verschillende posities die je niet kan combineren. (student en zoon). (positie-set)(inter-rollen conflict).
(Lerares moet les geven op school, maar haar kind is ook ziek).
INTER = TUSSEN
INTRA = BINNEN
Rollenconflicten oplossen door bv:
- Compromis zoeken
- Een van de rollen prioriteit geven
- De omgeving duidelijk maken dat er tegenstrijdige verwachtingen zijn
Collectieve rituelen = niet alleen de waardering voor je prestatie, maar hebben ook de functie om de eenheid in de groep te
versterken (diploma’s, speldjes uitreiken, afscheidsfeesten, uniformering).
Individualisering van het probleem of ‘’blaming the victim’’ = de dader of omstanders geven het slachtoffer de schuld
(pesten is uitgelokt door de gepeste persoon zelf).
Culturele pluriformiteit = verschil binnen een cultuur, binnen een land, tussen Nederlanders, verschillende subculturen
binnen de Nederlandse cultuur.
Dynamisch = cultuur veranderd (vroeger ouders met u aanspreken)
Subcultuur = verschillen tussen groepen mensen binnen een cultuur (gabbers, alto’s)
Zijn je ouders hoog of laag opgeleid, woon je in een boerderij of in de stad…
Waarden: voorstellingen in een maatschappij of groep wat goed en nastrevenswaardig is (eerlijkheid)
Normen: verwachtingen ten aanzien van het handelen (niet liegen)
Het familiale generatiebegrip = generaties binnen een familie
Intergenerationele mobiliteit = opwaartse of neerwaartse beweging op de sociale ladder tussen generaties. (van boer naar
arts).
Mobiliteit = beweging op de maatschappelijke ladder
Solidariteit = zorgen voor elkaar, elkaar ondersteunen
Waardenoverdracht = waarden aan elkaar overdragen binnen generaties
Beïnvloeding intergenerationele mobiliteit: je krijgt vanuit de vorige generatie een bepaalde mate van kapitaal mee. Dit zijn
middelen die je in kunt zetten om hoger op de ladder te klimmen:
- Financieel kapitaal: hierdoor ontstaat sociale ongelijkheid: geen bijbaan, bijles, collegegeld, langer studeren
- Cultureel kapitaal: bepaalde gewoontes die we als normaal zien: woordenschat, kennis van literatuur
2
Socialisatie = een leerproces waarbij mensen zich in directe omgang met andere mensen een cultuur en subcultuur zich
eigen maken. Is een levenslange beïnvloeding en voltrekt zich in groepen! Elke nieuwkomer ineen groep (vriendengroep,
vereniging, opleiding) leert hoe hij zich moet gedragen. Ze moeten nieuwe rollen leren spelen. Dat leren van rollen noem je
socialisatie.
Levenslange proces, onze identiteit wordt gevormd door groepen (normen en waarden). Groepen beïnvloeden je dat het
bijdraagt aan jouw vorming tot wie je bent en wil zijn.
Vormen socialisatie:
-> Naar het soort rol
1. Primaire socialisatie: algemene rollen: kind wordt zindelijk
2. Secundaire socialisatie: specifieke rollen: rol bij de turnvereniging
-> Naar de socialisatie plaats
1. Primair: eerste groep waarmee een persoon in aanraking komt, heeft de meeste invloed op jou: gezin
2. Secundair: de volgende groepen waarmee een persoon in aanraking komt: formeler, sportclub, kinderdagverblijf,
bijbaantje, klas = dynamisch en heeft ook invloed!
3. Tertiair: beïnvloeding vanuit de samenleving waar je woont, media
Allemaal dynamisch = altijd in beweging.
4. Enculturatie = je hele leven binnen een en dezelfde cultuur
5. Acultruatie = doorloop je een socialisatieproces maar maak je een overgang van de ene cultuur naar de andere cultuur.
↓
Assimilatie = volledig aanpassen aan de dominante cultuur. Alles overnemen van de cultuur. We gaan ons aanpassen aan
een groep. Je kan hier volledig in op gaan maar je kan je ook beperken.
Integratie = zegt niet alleen iets over de person die een cultuur binnen komt, maar de dominante cultuur moet ook open
staan voor de nieuwkomer. Je maakt je cultuur eigen, maar de andere staan ook open voor de nieuwe cultuur die
binnnekomt. Altijd van 2 kanten!
Internalisatie = cultuur voelt volledig als eigen. Jouw normen en waarden komen overheen met die cultuur.
Door socialisatie ontwikkelen we:
Referentiekader (sociale bril waarmee je constant de wereld bekijkt en beoordeeld) = mentaal kader in je hoofd dat je
constant gebruikt uit eigen ervaringen die je op doet. (gebruik je met alles wat je tegenkomt, je hebt automatisch
vooroordelen etc.) -> dynamisch.
Autochtonen en allochtonen hebben een andere referentiekader.
Sociaal bewustzijn = kennis en inzicht hebben van het sociaal leven rondom jezelf, besef wie je bent en wie anderen zijn.
We krijgen een beeld in welke sociale positie we innemen: plek die je inneemt in een bepaalde rangorde. Positie: stagiaire,
student, werknemer. Bij elke positie hoort speciaal gedrag. Dit noemen we rolgedrag.
INTER = TUSSEN
INTRA = BINNEN
Collectieve identiteit = identiteit die wij denken dat we zijn (Nederlanders vinden zichzelf ruimdenkend)
Anticiperende socialisatie = in je gedrag en houding vooruitlopen op een toekomstige rol (nog voordat je aan de opleiding
bent begonnen, ben je al bezig met de rol als student)
Het halo-effect = de meeste mensen denken als iemand een goede eigenschap heeft dat hij/zij meerdere positieve
eigenschappen heeft -> bewust verhinderen van logisch rationeel denken. (meisjes zijn lief, dus ook zachtaardig, ze maken
geen ruzie, zijn beleefd).
Posities = plaats in het netwerk van relaties. (aan elke positie zitten meerdere rollen vast)
Toegewezen posities = hoef je niets voor te doen: broer, man, zoon.
Verworven posities = heb je actie voor ondernomen: vriend, D66, student.
Sociale status = maatschappelijk aanzien die je krijgt, de macht
Sociale positie = plek die je hebt in een bepaalde rangorde
Sociaal aanzien = wijze waarop iemand zijn sociale positie bekleed en daar waardering voor krijgt (wel gekoppeld aan
persoon) (daalt bijvoorbeeld wanneer je slechte studiepunten haalt).
Sociale structuur = wijze waarop posities in een samenleving of groep op elkaar betrokken zijn (vader hoort bij kind, docent
bij student, man bij vrouw, maar ook: directeur, uitvoerder, kantoorpersoneel, schoonmaakster).
Rol = gedrag wat je verwacht bij een bepaalde positie. Je hebt meerdere rollen die je aanneemt op een dag. Ouders
verwachten andere dingen van je dan een vriendin.
1
, Role-set = verschillende rollen die voortvloeien uit een positie. In iedere groep heb je een andere positie. In een positie heb
je verschillende rollen.
Rolopvatting = bepaalde opvatting hoe je je moet gedragen in een positie
Roldistantie = het ‘spelen’ van een rol zonder er in te geloven = vervreemding: je doet iets wat niet bij je past.
Rolwisseling = omschakelen van de ene rol naar de andere
Rolattribuut = uiterlijk teken ter herkenning van een positiebekleder (koksmuts, keepershandschoenen, uniform,
trainingspak)
Statussymbolen = uiterlijkheden die verwijzen naar rijkdom, macht, invloed, gezag.. (villa, dure auto, merken).
Rollenconflicten:
Intern rollenconflict = verwachtingen die niet te combineren zijn vanuit één positie. (je bent een man meteen groen hart,
maar ben daarnaast baas van een groot vervuild bedrijf) (role-set)(intra-rollen conflict)
Extern rollenconflict = verwachtingen die niet te combineren zijn vanuit meerdere posities. De verschillende rollen zijn
gekoppeld aan verschillende posities die je niet kan combineren. (student en zoon). (positie-set)(inter-rollen conflict).
(Lerares moet les geven op school, maar haar kind is ook ziek).
INTER = TUSSEN
INTRA = BINNEN
Rollenconflicten oplossen door bv:
- Compromis zoeken
- Een van de rollen prioriteit geven
- De omgeving duidelijk maken dat er tegenstrijdige verwachtingen zijn
Collectieve rituelen = niet alleen de waardering voor je prestatie, maar hebben ook de functie om de eenheid in de groep te
versterken (diploma’s, speldjes uitreiken, afscheidsfeesten, uniformering).
Individualisering van het probleem of ‘’blaming the victim’’ = de dader of omstanders geven het slachtoffer de schuld
(pesten is uitgelokt door de gepeste persoon zelf).
Culturele pluriformiteit = verschil binnen een cultuur, binnen een land, tussen Nederlanders, verschillende subculturen
binnen de Nederlandse cultuur.
Dynamisch = cultuur veranderd (vroeger ouders met u aanspreken)
Subcultuur = verschillen tussen groepen mensen binnen een cultuur (gabbers, alto’s)
Zijn je ouders hoog of laag opgeleid, woon je in een boerderij of in de stad…
Waarden: voorstellingen in een maatschappij of groep wat goed en nastrevenswaardig is (eerlijkheid)
Normen: verwachtingen ten aanzien van het handelen (niet liegen)
Het familiale generatiebegrip = generaties binnen een familie
Intergenerationele mobiliteit = opwaartse of neerwaartse beweging op de sociale ladder tussen generaties. (van boer naar
arts).
Mobiliteit = beweging op de maatschappelijke ladder
Solidariteit = zorgen voor elkaar, elkaar ondersteunen
Waardenoverdracht = waarden aan elkaar overdragen binnen generaties
Beïnvloeding intergenerationele mobiliteit: je krijgt vanuit de vorige generatie een bepaalde mate van kapitaal mee. Dit zijn
middelen die je in kunt zetten om hoger op de ladder te klimmen:
- Financieel kapitaal: hierdoor ontstaat sociale ongelijkheid: geen bijbaan, bijles, collegegeld, langer studeren
- Cultureel kapitaal: bepaalde gewoontes die we als normaal zien: woordenschat, kennis van literatuur
2