2.2 Kennen en Kunnen: het cognitief systeem
cognitief systeem:
linguistische competence: abstracte en grotendeels onbewuste kennis van het taalsysteem.
Performance: gebruik van de kennis maken
Bij de performance zijn beperkingen omdat het geheugen overbelast kan raken.
De regels van de competence worden niet altijd goed toegepast
Kennis van de wereld is ook nodig om een zin te produceren en te begrijpen
Communicatieve competence: kennis over hoe te handelen in verschillende
taalgebruikssituaties
Mentale lexicon: alle woorden die we kennen en die in verbinding met elkaar staan (doordat
wij connecties met die woorden maken) een soort van spinnenweb.
Activeren: door gebruik te maken van de mentale lexicon
Activatiespreiding: na het activeren worden ook andere woorden geactiveerd.
Priming effect: doordat de andere woorden zijn geactiveerd (door het eerste woord)
herken je deze woorden sneller in een zin.
2.3 Taal en hersenen
Taal ligt vaak in het linkerdeel van de hersenen.
Afasie: taalstoornissen die optreden als gevolg van een hersenbeschadiging.
2.4 Taalbegrip
Continu signaal: gesproken taal is vaak 1 lange ononderbroken stroom (je kan bij een
vreemde taal geen afzonderlijke woorden en zelfs geen klanken herkennen.
Co-articulatie: klanken beïnvloeden andere klanken.
het spraakgeluid is hierdoor variabel
Bottom-up verwerkking: je hoort de klank → etc. en maakt een zin
Top-Down verwerkking: je interpreteerd eerst een zin goed → verwerkt dan de
klanken
Cohort effect: Een model van woordherkenning waarbij men ervan uitgaat dat de
verzameling woorden die tijdens het proces van woordherkenning wordt geactiveerd, steeds
kleiner wordt, tot uiteindelijk dat ene woord overblijft.
kan (denkt kanaal, kanarie) kanarie (denkt kanariegeel, kanariekooi) kanariekook
uiteindelijke woord.
Context effect: een specifieke context zorgt voor woordherkenning.
synctactische strategie: bij de interpretatie wordt gebruik gemaakt van de kennis van zinnen
en zinsopbouw.
Semenatische strategie: bij de inerpretatie wordt gebruik gemaak van de kennis van de
wereld
Naast wat iemand letterlijk gezegd wordt kan iemand ook iets anders bedoelen. (indirect)
2.5 Taalproductie
Taalproductie vindt plaats in de volgende stappen:
-Het bedenken en plannen van een uiting conceptualiseren
-Het formuleren van een uiting
cognitief systeem:
linguistische competence: abstracte en grotendeels onbewuste kennis van het taalsysteem.
Performance: gebruik van de kennis maken
Bij de performance zijn beperkingen omdat het geheugen overbelast kan raken.
De regels van de competence worden niet altijd goed toegepast
Kennis van de wereld is ook nodig om een zin te produceren en te begrijpen
Communicatieve competence: kennis over hoe te handelen in verschillende
taalgebruikssituaties
Mentale lexicon: alle woorden die we kennen en die in verbinding met elkaar staan (doordat
wij connecties met die woorden maken) een soort van spinnenweb.
Activeren: door gebruik te maken van de mentale lexicon
Activatiespreiding: na het activeren worden ook andere woorden geactiveerd.
Priming effect: doordat de andere woorden zijn geactiveerd (door het eerste woord)
herken je deze woorden sneller in een zin.
2.3 Taal en hersenen
Taal ligt vaak in het linkerdeel van de hersenen.
Afasie: taalstoornissen die optreden als gevolg van een hersenbeschadiging.
2.4 Taalbegrip
Continu signaal: gesproken taal is vaak 1 lange ononderbroken stroom (je kan bij een
vreemde taal geen afzonderlijke woorden en zelfs geen klanken herkennen.
Co-articulatie: klanken beïnvloeden andere klanken.
het spraakgeluid is hierdoor variabel
Bottom-up verwerkking: je hoort de klank → etc. en maakt een zin
Top-Down verwerkking: je interpreteerd eerst een zin goed → verwerkt dan de
klanken
Cohort effect: Een model van woordherkenning waarbij men ervan uitgaat dat de
verzameling woorden die tijdens het proces van woordherkenning wordt geactiveerd, steeds
kleiner wordt, tot uiteindelijk dat ene woord overblijft.
kan (denkt kanaal, kanarie) kanarie (denkt kanariegeel, kanariekooi) kanariekook
uiteindelijke woord.
Context effect: een specifieke context zorgt voor woordherkenning.
synctactische strategie: bij de interpretatie wordt gebruik gemaakt van de kennis van zinnen
en zinsopbouw.
Semenatische strategie: bij de inerpretatie wordt gebruik gemaak van de kennis van de
wereld
Naast wat iemand letterlijk gezegd wordt kan iemand ook iets anders bedoelen. (indirect)
2.5 Taalproductie
Taalproductie vindt plaats in de volgende stappen:
-Het bedenken en plannen van een uiting conceptualiseren
-Het formuleren van een uiting