3.2 Hoe leren kinderen taal?
Aangeboren taalvermogen: het vermogen van een kind om (natuurlijke) taal te leren.
Kinderen leren taal door veel te imiteren. Maar ook door het een systeem te ontdekken in
de chaos van het taalaanbod deze wordt afgestemd op het kind. .De taalomgeving is de
benzine die het taalvermogen draaiende houdt. Het is belangrijk dat er interactie is met de
omgeving.
3.3 In welke volgorde verloopt de eerste-taalverwerking?
1. Voortalige periode: totdat het eerste woord wordt gesproken ( 1 jr)
het kind leert de taal van de omgeving en probeert te communiceren door te
brabbelen.
2. Vroegtalige periode: woorden worden gecombineerd (1 - 2,5 jr)
Weglating: klanken weglaten
Vervanging: het kind kent het woord niet dus het gebruikt een ander woord
Overextensie: voor enkele woorden wordt 1 woord gebruikt (alle dieren poes
noemen)
3. differentiatiefase: woordsoorten verschijnen (2,5 - 5 jr)
overgeneralisatie: voor een woord wordt een verkeerd (algemene
grammaticale regel) vervoeging gebruikt. (in plaats van at, eette)
4. Voltooiingsfase: taal is compleet (5 jr - ~)
In deze fase ben je nog niet helemaal klaar met leren.
ontwikkelingsfouten: leerfouten die bij het taalverwervingsproces horen.
Spraak en taalontwikkelingsstoornissen: problemen in de taal die in de eerste 5 jaar
plaatsvinden.
3.4 Welke factoren beÏnvloeden de verwerving van een tweede taal?
Vreemde-taalverwerving: vindt plaats op school
Tweede taalverwerving: vindt plaats in een omgeving waar de doeltaal wordt gebruikt.
met tweede-taalverwerving wordt ook derde , vierde etc bedoeld daarom wordt doeltaal
gebruikt.
kritische periode: moedertaal moet voor de puberteit eigen zijn.
Omstandigheden die stimuleren of demotiveren bij het leren van een tweede taal:
1. Moedertaal: sommige talen lijken meer op elkaar dan anderen.
2. Leeftijd: hoe ouder hoe moeilijker het is om een tweede taal te leren.
3. Contact met de doeltaal: hoeveel tijd ben je actief bezig met de doeltaal
4. Motivatie: waarom wil je de taal leren? wat motiveert je om het te doen?
5. Attitude: iemand die positief behandelt wordt leert sneller dan iemand die
gediscrimineerd woord.
6. Taalaanleg: sommige mensen hebben meer aanleg voor het leren van een taal
7. Onderwijs: komt jouw onderwijs overeen met die van de doeltaal.
3.5 In welke volgorde verloopt de verwerving van een tweede taal?
Aangeboren taalvermogen: het vermogen van een kind om (natuurlijke) taal te leren.
Kinderen leren taal door veel te imiteren. Maar ook door het een systeem te ontdekken in
de chaos van het taalaanbod deze wordt afgestemd op het kind. .De taalomgeving is de
benzine die het taalvermogen draaiende houdt. Het is belangrijk dat er interactie is met de
omgeving.
3.3 In welke volgorde verloopt de eerste-taalverwerking?
1. Voortalige periode: totdat het eerste woord wordt gesproken ( 1 jr)
het kind leert de taal van de omgeving en probeert te communiceren door te
brabbelen.
2. Vroegtalige periode: woorden worden gecombineerd (1 - 2,5 jr)
Weglating: klanken weglaten
Vervanging: het kind kent het woord niet dus het gebruikt een ander woord
Overextensie: voor enkele woorden wordt 1 woord gebruikt (alle dieren poes
noemen)
3. differentiatiefase: woordsoorten verschijnen (2,5 - 5 jr)
overgeneralisatie: voor een woord wordt een verkeerd (algemene
grammaticale regel) vervoeging gebruikt. (in plaats van at, eette)
4. Voltooiingsfase: taal is compleet (5 jr - ~)
In deze fase ben je nog niet helemaal klaar met leren.
ontwikkelingsfouten: leerfouten die bij het taalverwervingsproces horen.
Spraak en taalontwikkelingsstoornissen: problemen in de taal die in de eerste 5 jaar
plaatsvinden.
3.4 Welke factoren beÏnvloeden de verwerving van een tweede taal?
Vreemde-taalverwerving: vindt plaats op school
Tweede taalverwerving: vindt plaats in een omgeving waar de doeltaal wordt gebruikt.
met tweede-taalverwerving wordt ook derde , vierde etc bedoeld daarom wordt doeltaal
gebruikt.
kritische periode: moedertaal moet voor de puberteit eigen zijn.
Omstandigheden die stimuleren of demotiveren bij het leren van een tweede taal:
1. Moedertaal: sommige talen lijken meer op elkaar dan anderen.
2. Leeftijd: hoe ouder hoe moeilijker het is om een tweede taal te leren.
3. Contact met de doeltaal: hoeveel tijd ben je actief bezig met de doeltaal
4. Motivatie: waarom wil je de taal leren? wat motiveert je om het te doen?
5. Attitude: iemand die positief behandelt wordt leert sneller dan iemand die
gediscrimineerd woord.
6. Taalaanleg: sommige mensen hebben meer aanleg voor het leren van een taal
7. Onderwijs: komt jouw onderwijs overeen met die van de doeltaal.
3.5 In welke volgorde verloopt de verwerving van een tweede taal?