5.2 De uiting als handeling
pragmatiek: net als discourse gericht op taalgebruik, maar dan specifiek bij individuele
afzonderlijke taaluitingen.
taalhandelingen: taaluitingen die worden gebruikt om sociale handelingen te verrichten
(mededeling, belofte , vraag).
1. locutie: vorm van de uiting (wat er gezegd word)
2. illocutie: taalhandeling karakter van de uiting (wat er bedoeld wordt)
hiertussen is niet altijd een 1 op 1 relatie.
2.2 Performatief werkwoord: er wordt een ww gebruikt waardoor het karakter
duidelijk is beloven, vragen, informeren etc.
directe taalhandeling: uitingen met een performatief ww.
indirecte taalhandeling: uitingen zondereen perfomatief ww
geslaagdheidsvoorwaarde: als een taaluiting (vraag, verzoek, bevel) wil slagen, moet aan
(niet talige) randvoorwaarden zijn voldaan. een bevel kan alleen slagen als iemand in de
positie is om een bevel te geven.
5.3 Informatiestructuur
focus: informatieve kern van een zin. (vaak nieuwe informatie met de hoogste
informatiewaarde)
topic: elementen die al bekende informatie bevatten
informatie waarde kan worden aangegeven met de klemtoon
informatiestructuur: bepaalde structuur waarbij de informatie wordt gegeven vaak topic eerst
en dan focus erna.
5.4 Pragmatische gepastheid
sociale betekenis: de omstandigheden waarin taaluitingen worden gebruikt.
deze komt onder andere tot uiting in de keuze van de aanspreekvormen u en jij.
Iemand die een taal verwerft, leert niet alleen de regels van de grammatica, maar ook die
van de taalgebruiksystematiek. Een taalgebruiker is dan ook op de hoogte van de
pragmatische gepastheid van taaluitingen.
Taalgebruikers zullen over het algemeen hun stijl: soms beschouwd als 4de maxime van
spreken aanpassen aan de situatie waarin ze zich bevinden. In een formele situatie is er
sprake van een formele stijl, in een informele situatie van een informele stijl.
Er wordt verschil gemaakt door de stijlverschillen bijv woordenschat
pragmatiek: net als discourse gericht op taalgebruik, maar dan specifiek bij individuele
afzonderlijke taaluitingen.
taalhandelingen: taaluitingen die worden gebruikt om sociale handelingen te verrichten
(mededeling, belofte , vraag).
1. locutie: vorm van de uiting (wat er gezegd word)
2. illocutie: taalhandeling karakter van de uiting (wat er bedoeld wordt)
hiertussen is niet altijd een 1 op 1 relatie.
2.2 Performatief werkwoord: er wordt een ww gebruikt waardoor het karakter
duidelijk is beloven, vragen, informeren etc.
directe taalhandeling: uitingen met een performatief ww.
indirecte taalhandeling: uitingen zondereen perfomatief ww
geslaagdheidsvoorwaarde: als een taaluiting (vraag, verzoek, bevel) wil slagen, moet aan
(niet talige) randvoorwaarden zijn voldaan. een bevel kan alleen slagen als iemand in de
positie is om een bevel te geven.
5.3 Informatiestructuur
focus: informatieve kern van een zin. (vaak nieuwe informatie met de hoogste
informatiewaarde)
topic: elementen die al bekende informatie bevatten
informatie waarde kan worden aangegeven met de klemtoon
informatiestructuur: bepaalde structuur waarbij de informatie wordt gegeven vaak topic eerst
en dan focus erna.
5.4 Pragmatische gepastheid
sociale betekenis: de omstandigheden waarin taaluitingen worden gebruikt.
deze komt onder andere tot uiting in de keuze van de aanspreekvormen u en jij.
Iemand die een taal verwerft, leert niet alleen de regels van de grammatica, maar ook die
van de taalgebruiksystematiek. Een taalgebruiker is dan ook op de hoogte van de
pragmatische gepastheid van taaluitingen.
Taalgebruikers zullen over het algemeen hun stijl: soms beschouwd als 4de maxime van
spreken aanpassen aan de situatie waarin ze zich bevinden. In een formele situatie is er
sprake van een formele stijl, in een informele situatie van een informele stijl.
Er wordt verschil gemaakt door de stijlverschillen bijv woordenschat