linguïstische competence:
1. lexicale kennis: van woorden
2. morfologische kennis: 2 woorden kunnen 1 woord maken kunnen 2 woorden zijn of 1
woord en 1 woord die niet los voorkomt. morfeem: kleinste bouwsteen in taal met
een zelfstandige betekenis en/of grammaticale functie.
3. syntactische kennis: regels van de zinsopbouw
4. fonologische kennis: systeem achter klanken. fononeem: kleinste
betekenisonderscheidende bouwsteen van de taal
5. semantische kennis: regels die een interpretatie (betekenis) moeten geven aan
woorden, woordgroepen en zinnen.
6.2 Zinsdelen
zinsdeel/ constituent: woorden binnen een zin zijn georganiseerd in groepen. 1 groep hoort
bij elkaar.
om deze constituenten te vinden kan je 2 dingen doen:
1. verplaatsingstest: alles wat mee verplaatst wordt, behoort tot hetzelfde constituent
2. vervangingstest: alles wat door 1 voornaamwoord vervangen kan worden behoort tot
hetzelfde constituent.
6.3 Zinnen, bijzinnen en woordgroepen
bijzin: een zinsdeel dat ook zelf een zin is.
je kan dan een zin verdelen in een hoofdzin en een bijzin
6.4 Type woordgroepen
Nominale woordgroep NP: woord dat wordt gebruikt om te verwijzen. (zelfst nmw, pers
vnmw, vragend vnmw)
deze heeft een referentiële functie.
Verbale woordgroep VP: woord dat wordt gebruikt om te prediceren (ww, dus wat er gedaan
wordt)
deze heeft een predicatieve functie
Adjectivische woordgroep ADjP: duidt een functie van een nominale woordgroep aan (bijv
nmw)
deze heeft een attributieve functie
Adverbiale woordgroep ADvP: voegt meer informatie toe (bijwoord)
deze heeft een attributieve functie
Adpositionele woordgroep AdpP: geeft relatie tussen woorden aan
deze heeft een relationele functie
- prepositioneel: voor het NP
- postpositioneel: na het NP
6.5 Hoofden en modificeerders
1. lexicale kennis: van woorden
2. morfologische kennis: 2 woorden kunnen 1 woord maken kunnen 2 woorden zijn of 1
woord en 1 woord die niet los voorkomt. morfeem: kleinste bouwsteen in taal met
een zelfstandige betekenis en/of grammaticale functie.
3. syntactische kennis: regels van de zinsopbouw
4. fonologische kennis: systeem achter klanken. fononeem: kleinste
betekenisonderscheidende bouwsteen van de taal
5. semantische kennis: regels die een interpretatie (betekenis) moeten geven aan
woorden, woordgroepen en zinnen.
6.2 Zinsdelen
zinsdeel/ constituent: woorden binnen een zin zijn georganiseerd in groepen. 1 groep hoort
bij elkaar.
om deze constituenten te vinden kan je 2 dingen doen:
1. verplaatsingstest: alles wat mee verplaatst wordt, behoort tot hetzelfde constituent
2. vervangingstest: alles wat door 1 voornaamwoord vervangen kan worden behoort tot
hetzelfde constituent.
6.3 Zinnen, bijzinnen en woordgroepen
bijzin: een zinsdeel dat ook zelf een zin is.
je kan dan een zin verdelen in een hoofdzin en een bijzin
6.4 Type woordgroepen
Nominale woordgroep NP: woord dat wordt gebruikt om te verwijzen. (zelfst nmw, pers
vnmw, vragend vnmw)
deze heeft een referentiële functie.
Verbale woordgroep VP: woord dat wordt gebruikt om te prediceren (ww, dus wat er gedaan
wordt)
deze heeft een predicatieve functie
Adjectivische woordgroep ADjP: duidt een functie van een nominale woordgroep aan (bijv
nmw)
deze heeft een attributieve functie
Adverbiale woordgroep ADvP: voegt meer informatie toe (bijwoord)
deze heeft een attributieve functie
Adpositionele woordgroep AdpP: geeft relatie tussen woorden aan
deze heeft een relationele functie
- prepositioneel: voor het NP
- postpositioneel: na het NP
6.5 Hoofden en modificeerders