1. Onderwerp, hoofdgedachte, tekstdoel en titel
Het onderwerp van de tekst is een woord/woordgroep die aangeeft waar de tekst over
gaat. De hoofdgedachte is een mededelende zin (geen vraag), die het belangrijkste
weergeeft wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
Tekstdoel: bepaald doel wat de schrijver met een tekst wil bereiken.
● amuseren: vermaken met iets wat leuk, spannend of ontroerend is
● informeren: uitleggen hoe iets in elkaar zit, hoe iets is
● opiniëren: je zelf een mening laten vormen
● overtuigen: je een mening laten overnemen
● activeren: aanzetten iets te gaan doen of juist niet te doen
Vaak geeft de hoofdgedachte aanwijzingen over het tekstdoel:
- de hoofdgedachte is een constatering: tekstdoel is informeren of opiniëren
- de hoofdgedachte is een mening: tekstdoel is overtuigen en/of activeren
Er zijn twee soorten titels
● informerende titel geeft aan waarover een tekst gaat. Bijv. het terugbetalen van
studiegeld is een groeiend probleem.
● motiverende titel maakt de lezer nieuwsgierig. Bijv. studenten zitten op zwart
zaad.
2. Inleiding en slot
De inleiding van een tekst heeft twee functies:
- de aandacht van het publiek trekken
- het onderwerp van de tekst introduceren
Manieren om de inleiding aantrekkelijk te maken:
● naar een actuele gebeurtenis verwijzen. Iets wat bijv. nu in de media staat
● kort de voorgeschiedenis vertellen. Hoe in het verleden over iets werd
gedacht/hoe ermee om werd gegaan -> nieuwsgierig naar tegenwoordig
● een aantrekkelijk voorbeeld geven. Kort verhaaltje, specifiek geval, anekdote
● het belang voor het publiek aangeven. Als iets belang heeft voor het publiek, kan
daar in de inleiding op gewezen worden.
Een inleiding wordt ook aantrekkelijk door een sterke eerste zin. Klassieke manieren
zijn:
● een intrigerende vraag. ‘Waarom denkt men waarschijnlijk ook hier in de zaal dat
wiskunde heel moeilijk is?’
● ‘schokkende’ of opvallende cijfers.
● een paradox (een schijnbare tegenstelling).
, ● een prikkelend citaat. ‘Er zijn 3 soorten leugens: leugens, keiharde leugens en
statistieken’, zei Benjamin.
● een suggestieve of raadselachtige opsomming. ‘Een geweer, een koe en een
vrouw. 'Wat, dames en heren, hebben deze woorden met elkaar te maken?’
Een onderwerp kan op de volgende manieren geïntroduceerd worden:
● Er worden één of meer vragen gesteld
● Er wordt een mening (standpunt) geformuleerd
● Er wordt een probleem geschetst
Het slot bevat meestal de hoofdgedachte van de tekst. Vaak begint het slot met een
signaal, zoals kortom, al met al, we hebben dus gezien enz
Naast de hoofdgedachte bevat het slot som (een combinatie van):
● een samenvatting in enkele zinnen (niet bij korte teksten)
● een afweging
● een aansporing of aanbeveling
● een toekomstverwachting
Manieren om aantrekkelijk te eindigen:
- een aansluiting bij het begin (de cirkel rondmaken)
- een uitsmijter, bijv. een retorische vraag/citaat. Niet met clichés als de tijd zal
het leren.
3. Middenstuk
Het onderwerp van de tekst wordt in het middenstuk uitgewerkt in deelonderwerpen:
vragen beantwoord, standpunt beargumenteerd, oplossingen/verklaringen enz. Het
middenstuk bevat een aantal deelonderwerpen, soms één alinea, maar meestal meer.
Zo’n deelonderwerp kan aangekondigd worden door een structurerende (eerste) zin of
een (informatief) tussenkopje. Vaak wordt een deelonderwerp geformuleerd als vraag.
Argumentatiestructuur
inleiding stelling, standpunt (eventueel vraag)
middenstuk argumenten voor stelling
slot herhaling stelling (beantwoording vraag)
Aspectenstructuur
inleiding aankondiging onderwerp
Het onderwerp van de tekst is een woord/woordgroep die aangeeft waar de tekst over
gaat. De hoofdgedachte is een mededelende zin (geen vraag), die het belangrijkste
weergeeft wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
Tekstdoel: bepaald doel wat de schrijver met een tekst wil bereiken.
● amuseren: vermaken met iets wat leuk, spannend of ontroerend is
● informeren: uitleggen hoe iets in elkaar zit, hoe iets is
● opiniëren: je zelf een mening laten vormen
● overtuigen: je een mening laten overnemen
● activeren: aanzetten iets te gaan doen of juist niet te doen
Vaak geeft de hoofdgedachte aanwijzingen over het tekstdoel:
- de hoofdgedachte is een constatering: tekstdoel is informeren of opiniëren
- de hoofdgedachte is een mening: tekstdoel is overtuigen en/of activeren
Er zijn twee soorten titels
● informerende titel geeft aan waarover een tekst gaat. Bijv. het terugbetalen van
studiegeld is een groeiend probleem.
● motiverende titel maakt de lezer nieuwsgierig. Bijv. studenten zitten op zwart
zaad.
2. Inleiding en slot
De inleiding van een tekst heeft twee functies:
- de aandacht van het publiek trekken
- het onderwerp van de tekst introduceren
Manieren om de inleiding aantrekkelijk te maken:
● naar een actuele gebeurtenis verwijzen. Iets wat bijv. nu in de media staat
● kort de voorgeschiedenis vertellen. Hoe in het verleden over iets werd
gedacht/hoe ermee om werd gegaan -> nieuwsgierig naar tegenwoordig
● een aantrekkelijk voorbeeld geven. Kort verhaaltje, specifiek geval, anekdote
● het belang voor het publiek aangeven. Als iets belang heeft voor het publiek, kan
daar in de inleiding op gewezen worden.
Een inleiding wordt ook aantrekkelijk door een sterke eerste zin. Klassieke manieren
zijn:
● een intrigerende vraag. ‘Waarom denkt men waarschijnlijk ook hier in de zaal dat
wiskunde heel moeilijk is?’
● ‘schokkende’ of opvallende cijfers.
● een paradox (een schijnbare tegenstelling).
, ● een prikkelend citaat. ‘Er zijn 3 soorten leugens: leugens, keiharde leugens en
statistieken’, zei Benjamin.
● een suggestieve of raadselachtige opsomming. ‘Een geweer, een koe en een
vrouw. 'Wat, dames en heren, hebben deze woorden met elkaar te maken?’
Een onderwerp kan op de volgende manieren geïntroduceerd worden:
● Er worden één of meer vragen gesteld
● Er wordt een mening (standpunt) geformuleerd
● Er wordt een probleem geschetst
Het slot bevat meestal de hoofdgedachte van de tekst. Vaak begint het slot met een
signaal, zoals kortom, al met al, we hebben dus gezien enz
Naast de hoofdgedachte bevat het slot som (een combinatie van):
● een samenvatting in enkele zinnen (niet bij korte teksten)
● een afweging
● een aansporing of aanbeveling
● een toekomstverwachting
Manieren om aantrekkelijk te eindigen:
- een aansluiting bij het begin (de cirkel rondmaken)
- een uitsmijter, bijv. een retorische vraag/citaat. Niet met clichés als de tijd zal
het leren.
3. Middenstuk
Het onderwerp van de tekst wordt in het middenstuk uitgewerkt in deelonderwerpen:
vragen beantwoord, standpunt beargumenteerd, oplossingen/verklaringen enz. Het
middenstuk bevat een aantal deelonderwerpen, soms één alinea, maar meestal meer.
Zo’n deelonderwerp kan aangekondigd worden door een structurerende (eerste) zin of
een (informatief) tussenkopje. Vaak wordt een deelonderwerp geformuleerd als vraag.
Argumentatiestructuur
inleiding stelling, standpunt (eventueel vraag)
middenstuk argumenten voor stelling
slot herhaling stelling (beantwoording vraag)
Aspectenstructuur
inleiding aankondiging onderwerp