Bestuurskunde
Beleid maatregelen om maatschappelijk probleem op te lossen. Gaat om
Constitutionele monarchie een staat waarin het koningschap verankerd is in een constitutie. E
Parlementaire democratie Nederland is een democratie waarin de bevolking van 18 jaar en ou
politiek Het politieke systeem in enge zin: kiezers, politieke partijen, volkve
Ambetelijk apparaat de aan politieke gezagdragers ondergeschikte organisaties en functi
Overheid politieke gezagdragers plus ambtelijk apparaat
Semioverheid niet rechtstreeks aan politieke gezagdragers ondergeschikte publie
Openbaar bestuur overheid plus semioverheid
Maatschappelijk middenveldparticuliere organisaties met en zonder publieke taken, maar zonde
Publieke sector openbaar bestuur plus particiuliere organisaties met publieke taken
Bedrijfsleven particuliere organisaties met winstoogmerk
Legaliteitsbeginsel Al het overheidshandelen dient te zijn gebaseerd op bevoegdheden
Soevereiniteit Hoogste macht die onder geen ander gezag staat.
Rechtspraak staat voor wat rechters doen: rechtspreken, een beslissing nemen
Bestuur zij die richting geven.
bestuurskunde de discipline (studie) die de overheid centraal stelt
Bestuurders benoemd (ministers, burgemeesters. Commisarissen van de koning
Politici (gekozen) zoals Kamerleden, Raadsleden en tenslotte ambtenaren
Modificatie blijft het niet bij het eenmalig opstellen van wetgeving, overheid ga
Codificatie het op schrift stellen van recht, de overheid eerst de ontwikkelinge
Participatiesamenleving Samenleving waarbij iedereen die dat kan ook daadwerkelijk veran
Liberalisme vrijheidsbeginsel
Christendemocratie christelijke beginselen
Socialisme gelijkheidsbeginsel
rechts meer zelf verantwoordelijk
links meer gelijkheid en overheid erbij
klassieke grondrechten zaken waar de overheid zich niet mee mag bemoeien. Bijv. vrijheid
Sociale grondrechten zaken waar de overheid zich juist wel mee moet bemoeien. Bijv. re
Grondrechten rechten die de burger beschermen tegen de overheid
Vierde macht ambtenarenapparaat ook wel genoemd als vierde macht. ministers
Interorganisatietheorie/ net theorie waarbij wordt gesteld dat organisaties zich bevinden in een
Contingentietheorie theorie waarbij wordt uitgegaan dat organisaties zich aanpassen aa
beleidsspel proces van wederzijdse beïnvloeding en onderlinge afhankelijkheid
veldproces kijken naar de vraag hoe de output in de praktijk uitwerkt is ook we
poldermodel allerlei overlegvormen waarbij diverse belangengroepen bij elkaar
draagvlak het begrip draagvlak omvat de elementen legitimiteit en geloofwaa
legitimiteit dat er grenzen zijn aan het optreden van de overheid.
geloofwaardigheid dat het overheidsbeleid overtuigingskracht moet hebben
Beleid maatregelen om maatschappelijk probleem op te lossen. Gaat om
Constitutionele monarchie een staat waarin het koningschap verankerd is in een constitutie. E
Parlementaire democratie Nederland is een democratie waarin de bevolking van 18 jaar en ou
politiek Het politieke systeem in enge zin: kiezers, politieke partijen, volkve
Ambetelijk apparaat de aan politieke gezagdragers ondergeschikte organisaties en functi
Overheid politieke gezagdragers plus ambtelijk apparaat
Semioverheid niet rechtstreeks aan politieke gezagdragers ondergeschikte publie
Openbaar bestuur overheid plus semioverheid
Maatschappelijk middenveldparticuliere organisaties met en zonder publieke taken, maar zonde
Publieke sector openbaar bestuur plus particiuliere organisaties met publieke taken
Bedrijfsleven particuliere organisaties met winstoogmerk
Legaliteitsbeginsel Al het overheidshandelen dient te zijn gebaseerd op bevoegdheden
Soevereiniteit Hoogste macht die onder geen ander gezag staat.
Rechtspraak staat voor wat rechters doen: rechtspreken, een beslissing nemen
Bestuur zij die richting geven.
bestuurskunde de discipline (studie) die de overheid centraal stelt
Bestuurders benoemd (ministers, burgemeesters. Commisarissen van de koning
Politici (gekozen) zoals Kamerleden, Raadsleden en tenslotte ambtenaren
Modificatie blijft het niet bij het eenmalig opstellen van wetgeving, overheid ga
Codificatie het op schrift stellen van recht, de overheid eerst de ontwikkelinge
Participatiesamenleving Samenleving waarbij iedereen die dat kan ook daadwerkelijk veran
Liberalisme vrijheidsbeginsel
Christendemocratie christelijke beginselen
Socialisme gelijkheidsbeginsel
rechts meer zelf verantwoordelijk
links meer gelijkheid en overheid erbij
klassieke grondrechten zaken waar de overheid zich niet mee mag bemoeien. Bijv. vrijheid
Sociale grondrechten zaken waar de overheid zich juist wel mee moet bemoeien. Bijv. re
Grondrechten rechten die de burger beschermen tegen de overheid
Vierde macht ambtenarenapparaat ook wel genoemd als vierde macht. ministers
Interorganisatietheorie/ net theorie waarbij wordt gesteld dat organisaties zich bevinden in een
Contingentietheorie theorie waarbij wordt uitgegaan dat organisaties zich aanpassen aa
beleidsspel proces van wederzijdse beïnvloeding en onderlinge afhankelijkheid
veldproces kijken naar de vraag hoe de output in de praktijk uitwerkt is ook we
poldermodel allerlei overlegvormen waarbij diverse belangengroepen bij elkaar
draagvlak het begrip draagvlak omvat de elementen legitimiteit en geloofwaa
legitimiteit dat er grenzen zijn aan het optreden van de overheid.
geloofwaardigheid dat het overheidsbeleid overtuigingskracht moet hebben