De student:
kent de basisbegrippen van overheid en beleid
kent en benoemt de afzonderlijke fasen van het beleidsproces
kent de inhoud van beleid
kent het model van Easton en weet dit model toe te passen
kent de modellen van de agendavorming
kent de verschillende vormen van beleidsinstrumenten en weet deze toe te passen
kent en benoemt een aantal besluitvormingsprocessen
De student definieert aan de hand van een casus belangen-, machts- en invloedfactoren
De student past bestuurskundige kennis, inzicht en sensitiviteit toe om het thema veiligheid te
plaatsen binnen een bestuurlijke context
Week 1 oefenvragen
Verticale machtenscheiding is:
a. Het huis van Thorbecke
b. Als de macht bij ambtenaren ligt
c. De scheiding tussen wetgevende, controlerende, rechterlijke macht
d. Als rechters zich met de politiek bemoeien
Onderstaand is een voorbeeld van medebewind:
a. De APV
b. Onderhoud van riolering
c. De hondenbelasting
d. Bijhouden van de bevolkingsregister
Een staat 4 kenmerken: dit is er een van:
a. Er is (geaccepteerd) bestuursgezag
b. Minimaal 100 inwoners
c. Een officiële taal
d. Een koningshuis
Trias politica is:
a. Wetnemende, uitvoerende, rechterlijke macht
b. Wetgevende, uitvoerende, rechterlijke macht
c. Wetgevende, controlerende, rechterlijke macht
d. Wetgevende, uitvoerende, leidinggevende macht
, Week 2 oefenvragen
Waaruit bestaat de overheid?
a. Politici en de ambtenaren.
b. Politici, bestuurders en ambtenaren.
c. Bestuurders en de ambtenaren.
d. Bestuurders en de politici.
Bij verticale machtenscheiding is sprake als er is voldaan aan de volgende criteria:
a. er is een grondgebied is, een bestuursgezag en een bevolking.
b. er een staatsrechtelijke indeling is op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau.
c. er sprake is van een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
d. er sprake is van een wetsprekende, wetgevende en controlerende macht
Een voorbeeld van territoriale decentralisatie is
a. de provincie.
b. de nationale politie.
c. het waterschap.
d. de landmacht.
Een voorbeeld van functionele decentralisatie is
a. de gemeente.
b. het waterschap.
c. de provincie
d. Nederland zelf.
Wat is deconcentratie?:
Het fysiek verspreiden van delen van de rijksoverheid over provincies en gemeenten.
Voorbeeld: regionale Belastingkantoren, regionale directies Rijkswaterstaat
Wat is decentralisatie?:
Het overdragen van taken en bevoegdheden van een hogere overheid naar een lagere overheid
Voorbeeld: stadsdelen in Amsterdam
Week 3 oefenvragen
In het systeemmodel bestaat de fase invoer uit:
a. Steun en eisen
b. Demands en output
c. Output en outcome
d. Feedback en terugkoppeling
Bij de omzetting zijn betrokken:
a. pressiegroepen, ambtenaren en politici
b. ambtenaren, politici en bestuurders
c. politici, bestuurders en pressiegroepen
d. bestuurders, politici en pressiegroepen