● Een beschrijving geven van de complexiteitsniveaus van structuren in het lichaam
Het menselijk lichaam functioneert als een eenheid, maar is samengesteld uit verschillende
systemen die samenwerken en afhankelijk zijn van elkaar. Wanneer een systeem faalt, heeft dat bijna
altijd gevolgen voor andere systemen en zal het functioneren van het lichaam worden aangetast.
Anatomie is de leer van de bouw van het lichaam en de fysieke relaties tussen de verschillende
lichaamsdelen.
Fysiologie is de leer van de werking van de systemen en de vele manieren waarop ze door
geïntegreerde samenwerking het leven en de gezondheid van het individu in stand houden.
Pathologie is de leer van de afwijkingen.
Pathofysiologie beschrijft de wijzen waarop deze het normale functioneren van het lichaam
aantasten, met als gevolg dat er ziekten
ontstaan.
Atomen vormen moleculen, waar het lichaam
vol mee zit. Cellen zijn de kleinste onafhankelijke
eenheden van de levende materie. In het
menselijk lichaam lopen miljarden cellen en ze
zijn microscopisch klein waardoor ze met het
blote oog niet waar te nemen zijn. Elk celtype is
gespecialiseerd om een specifieke functie te
vervullen die het lichaam in zijn behoeften
voorzien. Een specifieke functie van zenuwcellen
is het ontvangen en doorgeven van elektrische
signalen.
In complexe organismen, zoals het menselijk
lichaam, vormen de vellen die overeenkomen in vorm en functie weefsels. Organen bestaan uit
verschillende soorten weefsels.
Orgaanstelsels/systemen bestaan uit een aantal organen en weefsels die samen bijdragen aan één of
meer vitale functies van het lichaam.
● Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’
De huid vormt een effectieve barrière tussen de lichaamsweefsels en de zich voortdurend
veranderende, vaak agressieve, uitwendige omgeving. Het milieu interieur is het vocht dat de
lichaamscellen omspoelt (interstitiële- of weefselvloeistof). Zij absorberen zuurstof en
voedingsstoffen uit de omgevende interstitiële vloeistof, die deze stoffen opnieuw uit de
bloedsomloop heeft geabsorbeerd.
Elke cel heeft een omhulsel: celmembraan die een selectieve barrière vormt voor stoffen die
binnenkomen of worden afgevoerd. Deze eigenschap, met name selectieve permeabiliteit, maar het
mogelijk dat de cel(plasma)membraan controleert welke stoffen in en uit de cel gaan en bijgevolg de
samenstelling van de interne omgeving reguleert. De grootte van de deeltjes is belangrijk: vele
kleinere deeltjes (water bijv.) kunnen vrij door de membraan passeren, grote deeltjes niet.
, De samenstelling van het milieu intérieur wordt uiterst nauwkeurig gereguleerd. Hierdoor ontstaat
een relatief stabiele toestand die homeostase heet (zonder verandering). Een dynamische, zich
voortdurend veranderende situatie waar een veelvoud van fysiologische mechanismen en metingen
steeds binnen nauwe grenzen blijft. Kerntemperatuur, Water- en elektrolythuishouding, Zuurgraad
(pH) van lichaamsvloeistoffen, bloedsuikergehalte, bloed- en weefselzuurstof, koolstofdioxide
gehaltes en bloeddruk zijn enkele belangrijke fysiologische eenheden met wisselende waarden die
binnen de nauwe grenzen moeten blijven door homeostatische regelmechanismen
De homeostase wordt gehandhaafd door systemen die veranderingen in het milieu intérieur
opsporen en daarop reageren. Dit heeft drie basiscomponenten: de detector, het controleercentrum
en de effector. Het controleercentrum herbergt de waarden waarbinnen de variabele factor moet
worden gehandhaafd → het ontvangt bericht van de detector en verwerkt die informatie → als het
signaal aangeeft dat er aanpassing nodig is, wijzigt het controleercentrum de opdracht en stuurt die
naar de effector. Bijna allen worden door een negatief feedbackmechanisme gecontroleerd.
Voorbeeld: De regulering van de lichaamstemperatuur lijkt op de niet-fysiologische techniek van
centrale verwarming. De thermostaat (temperatuurdetector) is gevoelig voor veranderingen in de
temperatuur van de ruimte (variabele factor). De thermostaat is verbonden met het controlecentrum
voor de ketel. De ketel is de effector. Als de thermostaat detecteert dat de kamertemperatuur zakt,
gaat de ketel werken met als resultaat dat de kamertemperatuur stijgt. Zodra de ingestelde
temperatuur is bereikt wordt de ketel uitgeschakeld door een seintje van de thermostaat. De
temperatuur in de kamer zal langzaam dalen doordat er warmte verloren gaat. Men noemt deze
serie gebeurtenissen negatieve feedback; zo ontstaat continue zelfregulatie oftewel regulering van
een variabele factor binnen nauwe grenzen.
● Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken
Negatieve feedback betekent dat elke verandering van het regulatiesysteem die zich verwijdert van
de normale waarde wordt tenietgedaan. Indien een variabel stijgt, laat negatieve feedback het dalen
en als het daalt, laat negatieve feedback het terug stijgen tot het normale niveau. De meeste
homeostatische processen in het lichaam worden door negatieve feedback gereguleerd om
plotselinge en aanzienlijke veranderingen in het milieu intérieur te voorkomen. (thermoregulatie)
Positieve feedbackmechanismen. Van deze ‘versterkende’ of ‘cascade’-mechanismen bestaan er
maar een paar in het lichaam. Voorbeelden zijn de bloedstolling en de baarmoedercontracties bij de
bevalling. Bij de bevalling worden de contracties van de baarmoeder gestimuleerd door het hormoon
oxytocine. Hierdoor wordt het hoofdje van de baby in de baarmoederhals (cervix) geperst waar
receptoren worden gestimuleerd die reageren op uitrekking. Als antwoord op die uitrekking wordt
meer oxytocine afgescheiden waardoor de contracties sterker worden en de bevalling wordt
voortgezet. Als de baby ter wereld is gekomen houdt het uitrekken van de cervix op, zodat de
afscheiding van oxytocine stopt. (ook bv bloedstolling, stolling op gang brengen)
● De functies van de transportsystemen in het lichaam beschrijven
Transportsystemen zorgen ervoor dat alle lichaamscellen in verbinding staan met zowel mogelijke
ondersteunende stoffen alsook de mogelijkheid bieden om afvalproducten af te scheiden. Bij interne
communicatie spelen het zenuwstelsel en het endocriene stelsel de hoofdrol: ze handhaven de
homeostase en reguleren vitale lichaamsfuncties. Voor de communicatie met het milieu extérieur
,beschikt het lichaam over speciale zintuigen en over verbale en non-verbale mogelijkheden; deze zijn
allemaal voor hun werking afhankelijk van het zenuwstelsel.
Via een uitgebreid netwerk van bloedvaten transporteert het bloed stoffen door het hele lichaam.
De vloeistof heet plasma en het vaste deel zijn de bloedcellen, die gesuspendeerd zijn in het plasma.
Plasma bestaat voornamelijk uit water met daarin allerlei opgeloste stoffen zoals:
- Voedingsstoffen opgenomen uit het maag-darmkanaal;
- Zuurstof uit de longen;
- Chemische verbindingen die in lichaamscellen worden aangemaakt, bijv. hormonen;
- Afvalproducten van alle lichaamscellen ter verwijdering uit het lichaam via excretie.
Men onderscheidt drie soorten bloedcellen gegroepeerd volgens functie.
- Erytrocyten (rode bloedcellen) vervoeren zuurstof en, in mindere mate, koolstofdioxide, tussen
longen en lichaamscellen.
- Leukocyten (witte bloedcellen) hebben als voornaamste taak het lichaam te beschermen tegen
infectie en andere xenobiotica. Er zijn verschillende soorten leukocyten die op verschillende
manieren hun beschermende functies uitoefenen. Leukocyten zijn groter en minder talrijk dan
erytrocyten.
- Trombocyten (bloedplaatjes) zijn kleine cellen, eigenlijk celfragmenten, die van essentieel belang
zijn bij de bloedstolling.
Het cardiovasculair systeem bestaat uit een netwerk van bloedvaten en het hart. Er zijn drie soorten
bloedvaten:
- Arteriën (slagaders), die het bloed vanuit het hard vervoeren.
- Venen (aders), die het bloed naar het hart terug vervoeren.
- Capillairen (haarvaatjes), die arteriën en venen met elkaar verbinden. Capillairen zijn hele kleine
vaatjes met een dunne wand waardoor stoffen tussen het bloed en de weefsels kunnen worden
uitgewisseld, zoals: voedingsstoffen, zuurstof en afvalproducten van cellen.
Het lymfoïde systeem bestaat uit lymfevaten die beginnen als blind eindigende buisjes in de
interstitiële ruimten tussen de capillairen en de weefselcellen. Lymfe is een weefselvloeistof dat ook
materiaal bevat dat is afgevoerd van weefselruimten, zoals plasma-eiwitten en bacteriën en cel afval.
De lymfe wordt via de lymfevaten teruggevoerd naar de bloedsomloop dichtbij het hart. Op de
verloop van de lymfevaten bevinden zich steeds ophopingen van lymfeklieren; hier wordt de lymfe
gefilterd en worden microben en andere stoffen verwijderd. Dit systeem zorgt voor productie en
rijping van de lymfocyten, de witte bloedcellen die betrokken zijn bij het immuunsysteem.
● De functies van het zenuwstelsel en het endocriene stelsel van interne communicatie
samenvatten
Het zenuwstelsel zorgt voor verbindingen tussen verschillende hersengebieden en tussen de
hersenen en de rest van het lichaam. Je kunt het zenuwstelsel onderverdelen in het centraal
zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) en het perifeer zenuwstelsel (omvat alle zenuwen in het
, lichaam). Het perifere zenuwstelsel kun je weer onderverdelen in het autonome –en somatische
zenuwstelsel. Hieronder worden ze een voor een uitgelegd.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Het ruggenmerg bestaat uit
zenuwbanen die vanuit de hersenen door het hele lichaam lopen. De ruggenmergzenuwen lopen
tussen de wervels. Deze zorgen voor de communicatie tussen de hersenen en de rest van het
lichaam. De ruggenmergzenuwen bevatten motorische – en sensorische zenuwen. De motorische
zenuwen activeren de spieren en de sensorische zenuwen geven informatie van de zintuigen door
aan het centraal zenuwstelsel. De hersenen zorgen voor ons bewustzijn, geheugen en helpt ons
ingewikkelde handelingen te verrichten. Door middel van de zintuigen ontvangen de hersenen
informatie uit onze omgeving. De informatie wordt door de hersenen verwerkt en eventueel
opgeslagen. Als wij dan handelingen willen verrichten worden de juiste signalen verstuurd. De
hersenen bestaan uit de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam.
Het centrale zenuwstelsel heeft eigenlijk maar 3 functies:
- Ontvangen van informatie van de zintuigen over onze omgeving en ons
lichaam, dit noem je ook wel sensorische informatie
- Het verwerken van de ontvangen informatie en dit verbinden met andere
informatie.
- De verwerkte informatie omzetten zodat spieren en organen worden
aangestuurd.
Het perifere zenuwstelsel is de verbinding tussen het centraal zenuwstelsel en de spieren en de
zintuigen. Door het perifere zenuwstelsel komt de informatie van de organen, zintuigen en spieren bij
het centraal zenuwstelsel.
Het perifere zenuwstelsel kun je verdelen in het autonome en het somatische deel. Het autonome
zenuwstelsel regelt de sturing van de gladden spieren, het hart en verschillende organen. Je lichaam
heeft geen controle over deze processen. Je kunt het autonome zenuwstelsel ook weer opsplitsen in
het sympathische en parasympatische deel. Het sympathische deel is actief als jij zelf ook actief
bent, bijvoorbeeld bij intensieve beweging zorgt het ervoor dat de hartslag omhoog gaat en dat er
veel bloed naar de spieren gaat en het lichaam dus klaar is voor beweging. Het parasympatische deel
is het tegenovergestelde. Dat wordt actief als wij ontspannen zijn. Het zorgt er dus voor dat de
hartslag omlaag gaat en dat er energie wordt opgeslagen. Over het somatische gedeelte hebben we
wel controle. Dit zenuwstelsel stuurt de skeletspieren aan en zorgt ervoor dat we bijvoorbeeld
kunnen lopen. Het stuurt de spieren bewust aan.
Het endocriene stelsel wordt ook wel het hormoonstelsel genoemd. Het endocriene stelsel bestaat
uit klieren waarin de hormonen worden geproduceerd. Deze hormonen worden aan het bloed
afgegeven, hierdoor worden hormonen over het hele lichaam verspreidt. De klieren staan onderling
met elkaar in verband. In enkele gevallen beheersen sommige klieren de afscheiding van andere
klieren door middel van terugkoppeling. Als er bijvoorbeeld een overvloed is van een bepaald
hormoon wordt de aanmaak in deze klier afgeremd. Alle klieren worden weer aangestuurd door een
orgaan, de hypofyse. De hypofyse is ongeveer zo groot als een erwt. De hypofyse controleert de
werking van een aantal klieren, zoals de bijnieren en de schildklier. Bij mannen ook de zaadballen en
bij vrouwen de eierstokken. De hypofyse zelf produceert ook hormonen, en is dus ook een klier.
Hormonen zijn boodschappersstoffen die onder andere de stofwisseling, de groei en de