Probleem 15. Kwekie/eğitmek/terbiya/opvoeding
1. Bestaan er verschillen in opvoeding tussen culturen, en zo ja waarom?
2. Wat is de rol van religie in verschillen in opvoeding tussen culturen?
3. Verschilt de opvoeding van jongens van die van meisjes (genderverschillen)?
Hoofdstuk 4: Eenheid en diversiteit in de opvoeding
Door T. Pels & C. Nijsten
Inleiding. Het beeld over opvoeding en relaties tussen generaties in allochtone gezinnen in
Nederland is niet positief (ze zouden o.a. autoritair zijn en generatie-relatief slecht). In dit
artikel wordt er (1) gekeken of dit negatieve beeld terecht is en (2) of en in welke mate
dominante theoretische aannamen over opvoeding toepasbaar zijn op niet-westerse populaties
(waarop theorieën meestal zijn gebaseerd).
Diversiteit in opvoeding. In economisch ontwikkelde landen (zoals NL) zijn ouder-kind
relaties veranderd van autoritair naar egalitair en van groepsgericht naar individualistisch
(minder autoritair: veel controle, weinig ondersteuning naar meer autoritatief: veel controle,
veel ondersteuning). Een autoritatieve opvoedstijl is -ook in Nederland- het meest in zwang
bij ouders ui de blanke, autochtone middenklasse. Met name in deze groep (en dus minder in
andere groepen) wordt een positieve samenhang gezien tussen een autoritatieve stijl en de
ontwikkeling van kinderen. Toch wordt een autoritatief opvoedpatroon in westerse landen als
normatief gezien (terwijl het dus voornamelijk getest is in blanke groepen uit de
middenklasse). De laatste decennia zijn onderzoekers zich bewuster geworden van het bestaan
van culturele verschillen (bijv. Noord-Afrikaanse migranten hechten meer waarde aan
conformiteit en collectivisme als centrale opvoedwaarden). Terwijl een autoritaire stijl in de
westerse cultuur als problematisch gezien wordt, kan hij in andere contexten de voorkeur
hebben (bijv. in ongunstige omstandigheden) en zelfs -in tegenspraak met de dominante
theorie- geassocieerd zijn met het ondersteunen van kinderen. Zowel maatschappelijke
modernisering -wat resulteert in een hoger gemiddeld opleidingsniveau en meer welvaart
(minder bezig met het belang van economische steun door kinderen, meer bezig met kinderen
hun sociaalpsychologisch welzijn)- als migratie naar stedelijke gebieden leiden tot
individualisering en meer egalitaire verhoudingen. In de praktijk kunnen dan mengvormen
ontstaan waarin verschillende culturele eisen verenigd worden (bijv. individualistische én
collectivistische waarden). De hypothese is dat jongere en hoger opgeleide allochtone
moeders meer waarden zullen hechten aan autonomie en minder aan conformiteit en vaker
een autoritatieve dan autoritaire opvoedstijl gebruiken. Toch wordt niet verwacht dat ze in hun
opvoedpatronen volledig op autochtone Nederlanders zullen gaan lijken.
Relaties tussen ouders en adolescenten. Doordat kinderen langer naar school gaan, is een
aparte jeugdfase ontstaan (experimentatie-fase). Parallel hieraan hebben zich ook
opvoedveranderingen voorgedaan: er heerst vaker een onderhandelingshuishouden en
jongeren trekken meer en intensiever met vrienden op (steun van ouders neemt af, steun van
1
,vrienden toe). Alhoewel het opleidingsniveau van allochtone jongeren stijgt, laten zij geen (of
minder) aparte jeugdfase zien. Bij hun staat de tijd na de pubertijd en voor werken in het
teken van ‘volwassen worden’. Ook allochtone ouders onderscheiden de adolescentie minder
als een fase met aparte ontwikkelingstaken dan autochtone ouders (dit geldt het minst voor
Surinamers en het meest voor Turken, Marokkanen en Chinezen). Conclusie: allochtone
jongeren zijn meer georiënteerd op hun ouders en conformeren zich meer aan hen dan
autochtone jongeren. Toch gaat er ook een tegenovergestelde veronderstelling schuil waarin
allochtone jongeren een breuk ervaren tussen het gezin en de wereld daarbuiten, die hen ertoe
brengt afstand te nemen van hun ouders (generatiekloof: ouder te weinig verstand van NL).
De onderzoeken. Er zijn vijf onderzoeken gedaan onder Chinese, Marokkaanse, Surinaamse,
Turkse en autochtoon-Nederlandse gezinnen met kinderen van tot 19 jaar. Het doel van de
onderzoeken was de hedendaagse waarden, denkbeelden en opvoedpraktijken in beeld
brengen en inzicht bieden in behoeften aan opvoedondersteuning. In alle onderzoeken wordt
opvoeding gezien in relatie met ouderlijke denkbeelden over opvoeding en ontwikkeling.
Onderzoekspopulatie. In dit hoofdstuk worden gegevens beperkt tot die van moeders en
adolescenten. Autochtonen en Surinaams-Creoolse moeders zijn hoger opgeleid dan de andere
groepen en in alle groepen (behalve Chinezen) zijn hoger opgeleide moeders iets meer
oververtegenwoordigd in vergelijking met landelijke gemiddelden. Moeders waren meestal
van de eerste generatie, soms van de tussengeneratie (gezinsmigranten) en af en toe van de
tweede generatie. De gemiddelde leeftijd van kinderen was: autochtone groep en Turkse groep
(respectievelijk 8.8 en 8. 4 jaar), Marokkanen (9.9 jaar), Creolen (10.1 jaar) en Chinezen (13.4
jaar). Adolescenten waren redelijk gelijk in leeftijd, geslacht en opleiding en behoorden bijna
allemaal tot de tweede generatie: in NL geboren of hier naar toe gekomen voor het zesde
levensjaar. Moeders kwamen allemaal uit de eerste generatie. De helft van de Creoolse
jongeren kwamen uit eenoudergezinnen met een moeder als gezinshoofd.
Methode. De vijf onderzoeken kwamen erg overeen (alleen soms worden identieke items
gebruikt). Er zijn zes kwantitatieve indicatoren voor opvoeding onderzocht. (1)
Opvoeddoelen. Moeders hebben twaalf items geordend welke betrekking hadden op
conformiteit, autonomie, prestatie en sociaal gevoel. (2) Ondersteuning. Hier is gekeken naar
de volgende aspecten: warmte, affectie-expressie, responsiviteit en betrokkenheid. Ook is er
gekeken naar belonen en communicatie met kinderen. (3) Autoritatieve controle. Dit is o.a.
onderzocht met schalen over inductie, het bevorderen van autonomie, striktheid, regels
stellen, normen en waarden, onderhandelingsruimte van adolescenten, toezicht en
conformistische opvoeding. (4) Autoritaire controle. Is vastgesteld met schalen over
machtsuitoefening, straffen en belonen en negeren. (5) Door adolescenten ervaren steun van
ouders en leeftijdsgenoten. Vastgesteld a.d.h.v. een persoonlijke netwerklijst waarin ervaren
steun van verschillende personen wordt gemeten ten aanzien van vrij tijd, school en relaties.
(6) Hechting aan ouders en oudercentrisme. Hier is de mate van hechting aan ouder gemeten
evenals de mate van oriëntatie op informatie en opinies van ouders en leeftijdsgenoten. Voor
analyses is gebruik gemaakt van variantieanalyse (ANOVA) en paired samples t-tests waarbij
2
, gecorrigeerd is voor opleidingsniveau en interacties tussen etnische groep en opleiding waar
nodig (omdat etnische verschillen mogelijk toe te schrijven zijn aan opleidingsverschillen).
1. Opvoeddoelen: rangorde en betekenis. Moeders en
adolescenten hebben
verschillende opvoeddoelen op volgorde gelegd van meest belangrijk naar
minst belangrijk. De rangordes van Turkse, Marokkaanse en Chinese
moeders waren vrijwel gelijk. Ze hechten relatief veel waarde aan
prestatie en conformiteit. Autochtone moeders hechten vooral waarde aan
autonomie en
sociabiliteit.
Creoolse moeder
nemen een
tussenpositie in: ze
zetten autonomie
op de eerste plaats
en conformiteit op
de derde plaats maar hebben een hogere waardering voor prestatie dan
autochtone moeders. Allochtoonse moeders kennen een significant hogere
positie toe aan prestatie en een minder hoge positie toe aan sociabiliteit
dan autochtonen. Na correctie van opleidingsniveau en voor de interactie
tussen opleiding en etnische groep, blijven deze verschillen significant
(behalve dat het verschil tussen Chinese en autochtone moeders verdwijnt
voor sociabiliteit). Allochtone moeders (behalve Creolen) ordenen
autonomie significant lager dan autochtonen terwijl Turken en Chinezen
conformiteit hoger zetten. Na correctie voor opleidingsniveau verdwijnen
alle verschillen voor autonomie, maar blijven de verschillen voor
conformiteit gelden voor de Chinese groep (opleiding is belangrijke motor
voor waardeverandering). Migratiegeneratie van de moeder en sekse van
het kind (is opmerkelijk) doen er nauwelijks toe. Allochtone en autochtone
moeders verschillen minder dan verwacht wat betreft conformiteit en
autonomie (onderzoek onder autochtonen laat zien dat de meerderheid
van mening is dat autonomie hand in hand moet gaan met conformiteit
om te voorkomen dat individualisme omslaat tot egoïsme).
Er zijn verschillen in de betekenis die moeders hechten aan doelen.
Over het algemeen genomen geven allochtone moeders een meer
autoritaire en collectivistische kijk op conformiteit en autonomie dan
autochtone moeders (autochtonen geven een meer egalitaire uitleg aan
conformiteit i.p.v. bijv. onvoorwaardelijk respect). Autonomie is in de ogen
van allochtonen minder geassocieerd met zelfbepaling en meer met
zelfredzaamheid en sociale verantwoordelijkheid en ook sociabiliteit en
prestatie worden meer vanuit een collectivistisch standpunt
geïnterpreteerd. Allochtone adolescenten bleken net als hun moeders de
3