criminaliteit Tijdens week 4 en week 5 van het vak Inleiding Criminologie komt een veelvoud
aan theorieën aan bod. De voorbereidende opdracht van deze week bestaat uit het maken van
een samenvatting van de biologische en psychologische theorieën hieronder genoemd. Dit
dient tevens als hulpmiddel bij de voorbereiding van de tussentoets en het tentamen.
Biologische theorieën:
1. Theorie van atavisme en fysieke kenmerken (Lombroso, Ferri, Garofalo):
Belangrijkste concepten: Lombroso en zijn volgelingen stelden dat sommige
mensen "geboren criminelen" waren vanwege fysieke kenmerken die
kenmerkend waren voor primitieve mensen. Deze kenmerken omvatten grote
oren, laag voorhoofd en asymmetrie.
Voorbeeld: Lombroso's onderzoek naar gevangenen toonde aan dat veel van
hen atavistische kenmerken hadden.
Kritiek: Deze theorie is bekritiseerd vanwege de gebrekkige wetenschappelijke
methodologie en het gebrek aan overtuigend bewijs voor een directe link
tussen fysieke kenmerken en criminaliteit.
2. Theorie van fysieke inferioriteit (Hooton):
Belangrijkste concepten: Hooton stelde dat genetische en fysieke
tekortkomingen leidden tot crimineel gedrag, waarbij criminele individuen als
"biologisch minderwaardig" werden beschouwd.
Voorbeeld: Hooton wees op vermeende fysieke afwijkingen bij criminele
individuen.
Kritiek: Deze theorie wordt als stigmatiserend beschouwd en heeft weinig
empirische ondersteuning.
3. Theorie van somatotypes (Sheldon):
Belangrijkste concepten: Sheldon classificeerde mensen in drie lichaamstypen:
endomorf (zwaar), mesomorf (gespierd), en ectomorf (mager). Hij beweerde
dat mesomorfe individuen vatbaarder waren voor crimineel gedrag vanwege
hun assertiviteit en energie.
Voorbeeld: Sheldon's onderzoek suggereerde dat misdadigers vaker
mesomorfe kenmerken hadden.
, Kritiek: Deze theorie heeft kritiek ontvangen vanwege methodologische
tekortkomingen en het feit dat lichaamsbouw slechts een van de vele factoren
is die gedrag beïnvloeden.
Psychobiologische theorieën:
Deze theorieën richten zich op de relatie tussen biologische factoren en crimineel
gedrag. Ze suggereren dat bepaalde biologische elementen het risico op criminaliteit
kunnen vergroten.
1. IQ: Sommige onderzoeken hebben een verband aangetoond tussen een lager
IQ en een verhoogd risico op crimineel gedrag. Dit kan te maken hebben met
moeite hebben met het begrijpen van de gevolgen van daden en
impulsbeheersing.
2. Loodvergiftiging: Blootstelling aan lood op jonge leeftijd, bijvoorbeeld door
loden waterpijpen, lood in benzine of loodverf, kan schade aan de hersenen
veroorzaken en agressie en crimineel gedrag bevorderen. Dit is vooral relevant
voor de ontwikkeling van kinderen.
3. Dieet: Het dieet kan een rol spelen bij crimineel gedrag. De Dutch Famine
Study suggereert dat blootstelling aan honger en voedingsstoffentekorten
tijdens de ontwikkeling van de foetus het risico op antisociaal gedrag kan
vergroten.
4. Suiker en visolie: Sommige studies hebben gesuggereerd dat de inname van
suiker en visolie invloed kan hebben op gedrag, maar het causale verband is
complex en onderwerp van debat.
5. Interventie in gevangenissen: Het gebruik van voedingssupplementen en
interventies in gevangenissen, zoals het aanpassen van diëten, kan een rol
spelen bij het beheersen van gedrag en het verminderen van gewelddadig
gedrag onder gevangenen.
6. Wilson's psychobiologische ideeën: James Q. Wilson stelde dat crimineel
gedrag ook verklaard kan worden door factoren zoals IQ, loodvergiftiging, het
gebruik van anti-depressiva, diëten, hoge en lage bloeddruk. Deze factoren
kunnen volgens Wilson bijdragen aan de neiging tot crimineel gedrag.
1. Gedragsgenetische theorieën: