1.1
Kenmerken van de ‘almacht van de media-theorie’
- Massmedia bereiken iedereen
- Eenrichtingsverkeer van de zender naar de ontvanger
- Direct verband tussen de inhoud van de boodschap en de invloed op de
ontvanger
- Ontvanger is in staat/bereid alle boodschappen op te nemen
- Ontvanger neemt de inhoud van de boodschap passief/kritiekloos over
- De (veelal) slechte invloed van de media wordt niet betwijfeld
- Geen filter tussen zender en ontvanger
- De ‘massamens’ staat meer open voor de invloed van media dan de elite
1.2
Naamgevingen binnen de ‘almacht van de media-theorie’
- Stimulus-responsmodellen (transportband-theorie): de stimulus is een
advertentie die je ziet, jouw respons is dat je naar de winkel gaat om het
geadverteerde product te kopen
- Injectienaaldtheorie: de ontvangers injecteren bij deze theorie alle
informatie, foutief of niet, die de media verspreidden
- Lont in het kruitvat: grote zekerheid over het effect dat zal optreden, als de
lont wordt aangestoken, volgt de rest vanzelf
- Bullet-theory: verwijst naar het eenrichtingsverkeer, zender schiet de kogel
af, ontvanger wordt beschoten
Modellen kunnen vier functies hebben:
1. Het organiseren van de werkelijkheid
2. Het inzichtelijk maken van de werkelijkheid
3. Het kunnen doen van voorspellingen
4. Het kunnen meten van de werkelijkheid
Het verbale model van Lasswell (1948):
Who Zender
Says what Boodschap
In which channel Kanaal/medium
To whom Ontvanger
With what effect effect
Het model van Shannon en Weaver (1949):
,1.3
Propaganda: Propaganda is het proberen te beïnvloeden van andermans opinie.
Propaganda heeft als doel mensen over te halen
- Name calling: het aanduiden van iets met een woord dat een negatieve
connotatie heeft
- Glittering generality: het aanduiden van iets met een woord dat een
positieve connotatie heeft
- Transfer: als iets wordt geassocieerd met een gerespecteerde eigenschap
van een ander object
- Testimonial: getuigenis van ‘goede’ en ‘slechte’ mensen waardoor het idee
in een goed of juist kwaad daglicht gezet kan worden
- Plain folks: het idee wordt gepresenteerd door middel van de mening van
‘het volk’ (de opvatting van gewone mensen)
- Bandwagon: er wordt gesuggereerd dat ‘iedereen het gaat doen, dan wel
zou willen doen’, verschil met bandwagon: niet nodig dat een heel volk dit
vindt, het kan voldoende zijn te suggereren dat het een trend is
- Card stacking: gebruiken van selectieve presentatie van argumenten,
waardoor iets in positieve of negatieve zin kan worden afgeschilderd
Voorbeelden op volgorde
Reclamewerkingsmodellen:
- Sales-responsmodel: informatief, argumenten moeten interesse voor het
product opwekken met nadruk op de gunstige prijs-waardeverhouding
overbrengen
- Persuasionmodel: nieuwe of onbekende productvoordelen overbrengen
- Emotionsmodel: oproepen van associatie tussen het merk/product en
specifieke gevoelens
- Symbolismmodel: symbolische betekenissen ontwikkelen zodat
consumenten door het gebruik van het merk betekenissen over zichzelf
kunnne communiceren
- Relationshipmodel: het ontwikkelen van persoonlijke betrokkenheid door
het product aan te laten sluiten bij persoonlijke waarden
- Awarenessmodel: bekendheid van het merk/product vergroten
- Likeabilitymodel: positieve waardering voor de reclame bereiken waardoor
het product/merk ook positief beoordeeld zal worden
, 1.4
Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van de massamedia, maar dit
leverde geen éénduidige antwoorden op. Wetenschappers hebben daar wel hun
eigen theorieën op. Er is rond 1930 onderzoek gedaan naar de invloed van film
op de jeugd: Payne Fundustries. Het onderzoek levert een negatief beeld op,
want jongeren zouden ervan op een slecht pad raken. Dat onderzoek werd wel
bekritiseert in verband met zwakheden en veronderstellingen van de
onderzoekers met betrekking tot slechte invloed van media op de jeugd.
Zo betoogde Berelson (1949) dat de effecten van massamedia afhangen van
bijvoorbeeld de inhoud, vorm en situering van communicatie, maar ook
persoonlijke kenmerken van de ontvanger.
Schramm, Lyle en Parker (1961) konden ook geen uitgesproken positieve of
negatieve effecten ontdekken.
Ten slotte heeft Katz (1987) ook geen absolute machtsinvloed van de
massamedia kunnen vinden.