Hoofdstuk 11 – Kostenstructuur – pag. 259
Break-evenpunt
De afzet of omzet waarbij de totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten, waardoor winst
noch verlies wordt gemaakt.
Degressief variabele kosten
Kosten die in totaal minder dan evenredig stijgen met de productieomvang, waardoor de
kosten per eenheid afnemen.
Dekkingsbijdrage
De omzet minus de variabele kosten; dit bedrag is beschikbaar ter dekking van de vaste
kosten.
Gemengde kosten
Kosten die voor een deel vast zijn en voor een deel variabel.
Hefboomwerking van de kostenstructuur
De mate waarin de winst fluctueert als gevolg van veranderingen in de afzet. Hoe hoger het
aandeel van de vaste kosten in de totale kosten, hoe sterker de hefboomwerking.
Hoog-laagmethode
Methode die de kostenfunctie afleidt uit de hoogte van de kosten bij de laagste en bij de
hoogste productieomvang in een afgelopen periode.
Indifferentiepunt
Het productievolume waarbij het uit kostenoverwegingen niet uitmaakt welk(e)
productiemiddel/methode wordt gebruikt.
Profit-volume chart
Grafiek die het verband laat zien tussen de hoogte van de afzet en de hoogte van de winst in
een periode.
Progressief variabele kosten
Kosten die in totaal meer dan evenredig stijgen met de productieomvang, waardoor de
kosten per eenheid toenemen.
Proportioneel variabele kosten
Kosten die in totaal recht evenredig variëren met een productieomvang, waardoor de kosten
per eenheid gelijk blijven.
Relevant productie-interval
De mogelijke productieomvang voor de komende periode, die bepaald wordt door de op de
korte termijn geldende capaciteitsgrenzen.
Trapsgewijs variabele kosten
Kosten die in totaliteit discontinu variëren met de productieomvang als gevolg van een
beperkte deelbaarheid van productiemiddelen; deze productiemiddelen kunnen echter op
korte termijn verkregen of afgestoten worden.
Variabele kosten
Kosten die toe- of afnemen als gevolg van toe- of afname van de productieomvang.
, Vaste of constante kosten
Kosten die in een productieperiode onafhankelijk zijn van de productieomvang, maar
verband houden met de aanwezigheid van een bepaalde capaciteit.
Veiligheidsmarge
Het percentage waarmee de huidige afzet of omzet maximaal mag afnemen opdat nog juist
geen verlies wordt geleden.
Hoofdstuk 12 – Kostencalculaties – pag. 283
Afschrijvingen
De kosten die samenhangen met de waardevermindering van een duurzaam
productiemiddel.
Bezettingsgraad
De mate waarin de maximaal beschikbare capaciteit van een bepaald duurzaam
productiemiddel werkelijk wordt gebruikt.
Complementaire kosten
Alle andere kosten dan afschrijvingskosten die aan het gebruik van een duurzaam
productiemiddel verbonden zijn, zoals onderhoudskosten, loonkosten van de operator,
intrestkosten en dergelijke.
Dekkingsbijdrage
Verkoopprijs minus variabele kosten per eenheid (c.q. omzet minus de totale variabele
kosten).
Differentiële kosten
De toename van de kosten als gevolg van de uitbreiding van de productie met een bepaalde
hoeveelheid.
Direct costing
Methode van kostencalculatie waarbij alleen de variabele kosten aan de productie worden
toegerekend en de vaste kosten rechtstreeks ten laste van de resultatenrekening worden
gebracht.
Dumping
Het hanteren van een lagere verkoopprijs op exportmarkten dan op de thuismarkt; is een
vorm van prijsdiscriminatie.
Economische levensduur
De periode dat een duurzaam productiemiddel economisch zinvol gebruikt kan worden.
Knelpuntsfactor
Het productiemiddel dat bepalend is voor de maximaal mogelijke omvang van de productie,
omdat de capaciteit daarvan op korte termijn niet kan worden uitgebreid.
Normale bezetting
De gemiddelde bedrijfsdrukte die voor de eerstkomende jaren wordt verwacht.
Optimaal productieplan
Meest winstgevende samenstelling van de productie bij gegeven capaciteit en dus bij
gegeven vaste kosten.