H1.
1. Welke visies zijn er op ontwikkeling en rijping:
- Leer theoretische visie: de mens is een onbeschreven blad en het bewustzijn wordt bepaald
door levenservaringen.
- Biologische visie: interne/erfelijke factoren bepalen de mens, er is geen prenataal bewustzijn,
wel vormt het een deel van het onderbewustzijn.
- Omgevingspsychologische visie: bewustzijn wordt aan vormen van het geheugen gevormd,
door informatieverwerking en zelfsturing, dus voor de geboorte geen bewustzijn.
- Psychoanalytische visie: de biologische aanleg en de opvoeding van de eerste 2 levensjaren
zijn bepalend voor het bewustzijn, er is wel sprake van besef in de baarmoeder dat wordt
vergeten.
- Humanistische visie: mix van leer theoretische en psychoanalyse.
2. Wat is de functie van de sensomotorische ervaringen van een kind tussen de 0-6 maand:
Het helpt het kind om te leren, het doet ervaringen op en kan zo prikkels koppelen aan
geheugen.
3. Het belang van hechting als ontwikkelingstaak bij een kind van 0-6 maand:
Het zorgt er voor dat het kind op latere leeftijd sociale relaties aan kan gaan.
4. Kwaliteiten van hechting:
- Veilige hechting: zoekt contact met het hechtingspersoon en voelt zich veilig.
- Vermijdende hechting: zoekt weinig contact met hechtingspersoon, is wel actief en
ondernemend.
- Angstige hechting: intensief contact met de ouder en voelt zich niet veilig.
- Gedesoriënteerde hechting: het tegengestelde van veilig en het kind toont geen emotie bij
affectie.
5. Tempramentstijlen:
- Makkelijke baby: huilt weinig, geen problemen met slapen, biologische regelmaat en
opgewekt.
- Moeilijke baby’s: huilt veel, behoefte aan routine, negatief gestemd, weinig biologische
regelmaat en schrikachtig.
- Langzame starters: combinatie van bovenstaande.
6. Wat is de relatie tussen het temperament en de hechting:
bij makkelijke baby’s gaat het hechtingsproces makkelijker en die zijn dan ook meer veilig
gehecht. Bij moeilijke baby’s andersom en zelfs kans op verwaarlozing.
7. Wat is de crisis die bij deze levensfase hoort volgens Erikson:
Vertrouwen versus wantrouwen.
, H2
1. Wat is de cognitieve ontwikkeling:
De ontwikkeling van het leren en het verwerven van kennis.
2. Wat is het stadium model hiervan volgens Piaget:
- Circulaire secundaire reacties: het kind herhaalt een actie als het een positief effect heeft
gehad. (8-12 maanden)
- Circulaire tertiaire reacties: het kind gebruikt een hulpmiddel om een actie te kunnen
voltooien. (12-18 maanden.)
- Objectpermanentie: het kind weet dat het object niet echt weg is als het verstopt is. (9-15v
maanden)
In deze stadia wordt het denken gezien als het handelen dat je kunt meten.
3. Wat is het kenmerk van de sensomotorische fase als cognitieve ontwikkeling:
De zintuigen worden tegelijkertijd gebruikt als de motorische beweging.
4. Wat is de crisis die bij deze levensfase hoort volgens Erikson:
Autonomie versus schaamte
5. Wat is de relatie tussen veilig hechten en leren:
Wanneer een kind veilig gehecht is, zal het zelf meer ondernemen en risico’s nemen omdat
hij weet dat zijn ouders achter hem staat als iets mis gaat.