Taal: een menselijke communicatiemiddel met een bepaalde systematiek die natuurlijik
ontstaan zijn
- taal is generatief (creatief)
- schrift is een afgeleide vorm van taal
Klein naar groot
1. Fonetie: klanken
2. Fonologie: fonemen
3. MOrfologie: woorden
4. Syntaxis: zinnen opbouw
5. Semantisch: betekenis van woorden
6. Pragmatisch: betekenis van zinnen
7. Discourse: gebruik van taal sociale regels
Gesproken taal:
1. menselijke communicatiemiddel, interactie
2. Natuurlijk ontstaan
3. Over alles communiceren
4. Ook los van hier en nu
5. Conventioneel: er zijn stilzwijgende afspraken gegroeid
6. Arbitair: verband van de vorm (klank) van het woord en de betekenis is willekeurig
7. Onomatopeeën: er is wel een relatie tussen de vorm (klank) en betekenis
8. Opgebouwd uit bouwstenen
a. spraakklanken
b. morfemen
c. woorden
9. Lexion: woordenschat
10. Grammatica
a. fonologie
b. morfologie
c. syntaxis
11. Is zelfstandig en niet afgeleid van een andere taal
12. WOrdt als moedertaal verworven en doorgegeven
13. Voortdurende ontwikkelijking en verandering
Gebarentalen:
1. Ook een menselijke communicatiemiddel, gebruikt in interactie
2. Ook natuurlijk ontstaan, in gemeenschappen van doven, vanuit de behofe om te
communiceren in steden of dovenscholen
3. Ook kan je over alles communiceren
a. er is, om historische redenen, soms een beperkt lexicon
b. o.a de onderdrukking van gebarentaal en de beperkte deelname aan de
maatschappij
4. Ook staat het los van het hier en nu
5. Ook gebouwd uit bouwstenen
a. bouwstenen van gebaren (betekenisloos) (fonemen)
b. morfemen
c. gebaren
6. Ook conventioneel
7. Ook een lexicon = gebarenschat
8. Ook een grammatica (fonologie, morfologie, syntaxis)
9. Ook zelfstandig, niet afgeleid van een andere taal, ook niet van het Nederlands
10. Wordt ook als moedertaal verworven en doorgegeven
Ook voordturende ontwikeling en verandering
ontstaan zijn
- taal is generatief (creatief)
- schrift is een afgeleide vorm van taal
Klein naar groot
1. Fonetie: klanken
2. Fonologie: fonemen
3. MOrfologie: woorden
4. Syntaxis: zinnen opbouw
5. Semantisch: betekenis van woorden
6. Pragmatisch: betekenis van zinnen
7. Discourse: gebruik van taal sociale regels
Gesproken taal:
1. menselijke communicatiemiddel, interactie
2. Natuurlijk ontstaan
3. Over alles communiceren
4. Ook los van hier en nu
5. Conventioneel: er zijn stilzwijgende afspraken gegroeid
6. Arbitair: verband van de vorm (klank) van het woord en de betekenis is willekeurig
7. Onomatopeeën: er is wel een relatie tussen de vorm (klank) en betekenis
8. Opgebouwd uit bouwstenen
a. spraakklanken
b. morfemen
c. woorden
9. Lexion: woordenschat
10. Grammatica
a. fonologie
b. morfologie
c. syntaxis
11. Is zelfstandig en niet afgeleid van een andere taal
12. WOrdt als moedertaal verworven en doorgegeven
13. Voortdurende ontwikkelijking en verandering
Gebarentalen:
1. Ook een menselijke communicatiemiddel, gebruikt in interactie
2. Ook natuurlijk ontstaan, in gemeenschappen van doven, vanuit de behofe om te
communiceren in steden of dovenscholen
3. Ook kan je over alles communiceren
a. er is, om historische redenen, soms een beperkt lexicon
b. o.a de onderdrukking van gebarentaal en de beperkte deelname aan de
maatschappij
4. Ook staat het los van het hier en nu
5. Ook gebouwd uit bouwstenen
a. bouwstenen van gebaren (betekenisloos) (fonemen)
b. morfemen
c. gebaren
6. Ook conventioneel
7. Ook een lexicon = gebarenschat
8. Ook een grammatica (fonologie, morfologie, syntaxis)
9. Ook zelfstandig, niet afgeleid van een andere taal, ook niet van het Nederlands
10. Wordt ook als moedertaal verworven en doorgegeven
Ook voordturende ontwikeling en verandering