Bron 1 – Landelijk opleidingsdocument sociaal werk
H1 en H3 bouwstenen 1,3 en 5.
Hoofdstuk 1: Sociaal werk.
Sociaal domein flink veranderd door van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving te gaan
(deregulatie en decentralisatie). De ontwikkelingen zijn onderverdeeld in verschillende andere wetten
dan voorheen. Termen als transitie, stelselwijziging en cultuurverandering karakteriseren de impact
van deze omslag.
De ontwikkelingen werker door in sociaal werk op de volgende manieren:
- Participatie aan samenleving door zoveel mogelijk mensen: minder mensen in een instelling
met specialistische hulp, meer mensen in eigen omgeving.
- Maatschappelijke participatie: eigen kracht inzetten in de samenleving: mensen stimuleren
en kinderen ontwikkelingskansen bieden, alleen waar nodig ondersteuning bieden.
- Een grotere nadruk op efficiëntie en kostenbewustzijn: meer nadruk op preventie en meer
hulp die direct en passend aansluit op problematiek
- Gemeenten moeten zich minder bemoeien met sociaal werk en hier plaats vrijmaken voor
echte sociaal werkers.
- Sociale technologie: denk aan privacy, veiligheid, online aanwezigheid, communicatie en
scholing.
Het begrip sociale kwaliteit is normatief en relatief: er bestaat geen absoluut optimaal sociaal
functioneren dat leidt tot absolute sociale kwaliteit. Wat de een aanvaardbaar vind, vind de ander
onacceptabel. Daarom zijn de afwegingen van een sociaal werker altijd gerelateerd aan wat het
goede is in een bepaalde situatie.
Discretionaire ruimte: uitdrukking van het normatieve karakter van sociaal werk. Belangrijke waarden
overbrengen aan mensen die er meer mee kunnen.
sociaal functioneren heeft betrekking op het deelnemen van mensen aan het maatschappelijk leven
en op de ruimte die de maatschappij biedt om aan deel te nemen. De sociale kwaliteit: bevorderen
van sociale samenhang, inclusiviteit en participatie als graadmeters.
Sociale kwaliteit gaat niet alleen over individueel welzijn en individueel gedrag, het gaat ook over
iemands (fysieke en mentale) vermogens en kansen tot deelname aan het maatschappelijke leven.
Mensen functioneren in verschillende sociale contexten, deze verschillende contexten geven elk een
specifiek perspectief op sociaal functioneren en sociale kwaliteit en ze vragen daarbij passende
vormen van sociaal werk.
1. DE PRIMAIRE LEEFOMGEVING
Oftewel dagelijkse thuisomgeving. Ook een residentiële omgeving (tijdelijk/langdurig,
vrijwillig of onder dwang) valt hier ook onder. Sociaal werk betreft in dit perspectief concreet
de individuele, persoonlijke vraagstukken in sociaal functioneren van mensen. Denk hierbij
aan beperkingen, achtergronden en culturen. Hierdoor ontstaan dynamische uitdagingen en
ontwikkelingsvraagstukken. Zij komen bijvoorbeeld terecht bij professionals op het gebied
zoals geweld in het gezin, seksueel misbruik, criminaliteit, armoede, schulden, eenzaamheid,
drankverslaving, scholing en werkeloosheid. Daarbij werken zij ook aan preventie (bijv.
opvoedingsvoorlichting) Het is belangrijk dat de professionals zorgen dat de cliënten richting
, willen geven aan hun handelen en dat ze willen participeren. Hierbij hoort dat ze leren zich te
verhouden tot anderen. Hierbij houden ze zich op de achtergrond om zoveel mogelijk over te
laten aan de basis die bij de opvoeding gelegd is.
Daarbij kunnen er ook situaties voorkomen die bedreigend zijn en er een interventie moet
plaatsvinden, hier komen de professionals ook aan te pas
2. NETWERKEN
Netwerken zijn bijvoorbeeld familie, scholen, verenigingen, vrijwilligersverbanden,
cultuurgemeenschappen, werkomgevingen, instellingen waarin mensen verkeren. Denk
hierbij ook aan virtuele netwerken. Deze netwerken zijn veelal niet geografisch afgebakend
en ze kunnen uiteenlopen van losse verbanden tot zeer gestructureerde organisatievormen.
Belangrijke aspecten van netwerken zijn openheid, innovatievermogen en producerend
vermogen. Netwerken kunnen uitsluiten waar ze moeten insluiten (pesten, discrimineren) ze
kunnen ook onwenselijk gedrag van mensen bevorderen en maskeren (criminele netwerken).
Sociaal werk betekent in deze context bijvoorbeeld het organiseren en verbinden van meer
passende mantelzorg dan alleen vanuit familie en gezin. De bevordering van sociaal
functioneren van mensen en hun netwerken is een voorwaarde voor het versterken van eigen
kracht en participatie. <- hierbij ga je denken aan verenigingen omdat deze al bevorderend
zijn voor het ondersteunen van netwerken. (deze worden soms ook aangestuurd door
professionals)
3. GEMEENSCHAPPEN
Gemeenschappen zijn meer gedifferentieerde, lossere, complexere en/of omvangrijkere
verbanden. Denk aan straten, buurten, wijken of steden met gedifferentieerde
cultuurgemeenschappen. Regelgeving van formele instanties en instellingen is hierbij in trek.
De mate van rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, kansengelijkheid en veiligheid in een
gemeenschap is mede bepalend voor het sociaal functioneren van mensen en netwerken. De
wijkvoorzieningen moeten aansluiten op de mensen die ze trekken. Professionals op het
gebied van sociaal werk versterken bestaande gemeenschappen om het sociaal functioneren
van mensen in die gemeenschap te optimaliseren en om de gemeenschap zelf te
optimaliseren.
Het sociaal domein wordt wel een ‘ill structured domain’ genoemd. Gebeurtenissen en situaties in dit
domein vertonen vaak unieke combinaties en interacties van samenstellende factoren. Veel
onderwerpen hebben raakvlakken met elkaar en overlappen elkaar wanneer men inzoomt.
Professionals sociaal werk moeten complexiteit van problemen moeten kunnen doorzien en kunnen
schakelen tussen verschillende contexten die van invloed zijn. Oplossingen zijn daarom vaak
procesmatig. Je werkt vaak met professionals van andere disciplines en weten hoe zij van pas kunnen
komen en waar ze elkaar kunnen aanvullen.
Sociale en gezondheidzorg hebben veel invalhoeken met elkaar. Ze streven naar positieve
gezondheid. Dit wil zeggen het vermogen van mensen zich aan te passen en eigen regie te voeren in
het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven. Positieve gezondheid bevat 6
hoofddimensies: mentaal welbevinden, spiritualiteit, kwaliteit van het leven, sociaal
maatschappelijke participatie, dagelijks functioneren en lichaamsfuncties.
Raakvlakken met educatieve domein: (it takes a village to raise a child). Het reguliere onderwijs moet
meer kinderen met een beperking opnemen. Dit vraag expertise die een lerarenopleiding niet altijd
meer kan bieden. Maar denk ook aan laagdrempelige wijkontwikkeling, zoals cursussen voor
nieuwkomers etc.
H1 en H3 bouwstenen 1,3 en 5.
Hoofdstuk 1: Sociaal werk.
Sociaal domein flink veranderd door van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving te gaan
(deregulatie en decentralisatie). De ontwikkelingen zijn onderverdeeld in verschillende andere wetten
dan voorheen. Termen als transitie, stelselwijziging en cultuurverandering karakteriseren de impact
van deze omslag.
De ontwikkelingen werker door in sociaal werk op de volgende manieren:
- Participatie aan samenleving door zoveel mogelijk mensen: minder mensen in een instelling
met specialistische hulp, meer mensen in eigen omgeving.
- Maatschappelijke participatie: eigen kracht inzetten in de samenleving: mensen stimuleren
en kinderen ontwikkelingskansen bieden, alleen waar nodig ondersteuning bieden.
- Een grotere nadruk op efficiëntie en kostenbewustzijn: meer nadruk op preventie en meer
hulp die direct en passend aansluit op problematiek
- Gemeenten moeten zich minder bemoeien met sociaal werk en hier plaats vrijmaken voor
echte sociaal werkers.
- Sociale technologie: denk aan privacy, veiligheid, online aanwezigheid, communicatie en
scholing.
Het begrip sociale kwaliteit is normatief en relatief: er bestaat geen absoluut optimaal sociaal
functioneren dat leidt tot absolute sociale kwaliteit. Wat de een aanvaardbaar vind, vind de ander
onacceptabel. Daarom zijn de afwegingen van een sociaal werker altijd gerelateerd aan wat het
goede is in een bepaalde situatie.
Discretionaire ruimte: uitdrukking van het normatieve karakter van sociaal werk. Belangrijke waarden
overbrengen aan mensen die er meer mee kunnen.
sociaal functioneren heeft betrekking op het deelnemen van mensen aan het maatschappelijk leven
en op de ruimte die de maatschappij biedt om aan deel te nemen. De sociale kwaliteit: bevorderen
van sociale samenhang, inclusiviteit en participatie als graadmeters.
Sociale kwaliteit gaat niet alleen over individueel welzijn en individueel gedrag, het gaat ook over
iemands (fysieke en mentale) vermogens en kansen tot deelname aan het maatschappelijke leven.
Mensen functioneren in verschillende sociale contexten, deze verschillende contexten geven elk een
specifiek perspectief op sociaal functioneren en sociale kwaliteit en ze vragen daarbij passende
vormen van sociaal werk.
1. DE PRIMAIRE LEEFOMGEVING
Oftewel dagelijkse thuisomgeving. Ook een residentiële omgeving (tijdelijk/langdurig,
vrijwillig of onder dwang) valt hier ook onder. Sociaal werk betreft in dit perspectief concreet
de individuele, persoonlijke vraagstukken in sociaal functioneren van mensen. Denk hierbij
aan beperkingen, achtergronden en culturen. Hierdoor ontstaan dynamische uitdagingen en
ontwikkelingsvraagstukken. Zij komen bijvoorbeeld terecht bij professionals op het gebied
zoals geweld in het gezin, seksueel misbruik, criminaliteit, armoede, schulden, eenzaamheid,
drankverslaving, scholing en werkeloosheid. Daarbij werken zij ook aan preventie (bijv.
opvoedingsvoorlichting) Het is belangrijk dat de professionals zorgen dat de cliënten richting
, willen geven aan hun handelen en dat ze willen participeren. Hierbij hoort dat ze leren zich te
verhouden tot anderen. Hierbij houden ze zich op de achtergrond om zoveel mogelijk over te
laten aan de basis die bij de opvoeding gelegd is.
Daarbij kunnen er ook situaties voorkomen die bedreigend zijn en er een interventie moet
plaatsvinden, hier komen de professionals ook aan te pas
2. NETWERKEN
Netwerken zijn bijvoorbeeld familie, scholen, verenigingen, vrijwilligersverbanden,
cultuurgemeenschappen, werkomgevingen, instellingen waarin mensen verkeren. Denk
hierbij ook aan virtuele netwerken. Deze netwerken zijn veelal niet geografisch afgebakend
en ze kunnen uiteenlopen van losse verbanden tot zeer gestructureerde organisatievormen.
Belangrijke aspecten van netwerken zijn openheid, innovatievermogen en producerend
vermogen. Netwerken kunnen uitsluiten waar ze moeten insluiten (pesten, discrimineren) ze
kunnen ook onwenselijk gedrag van mensen bevorderen en maskeren (criminele netwerken).
Sociaal werk betekent in deze context bijvoorbeeld het organiseren en verbinden van meer
passende mantelzorg dan alleen vanuit familie en gezin. De bevordering van sociaal
functioneren van mensen en hun netwerken is een voorwaarde voor het versterken van eigen
kracht en participatie. <- hierbij ga je denken aan verenigingen omdat deze al bevorderend
zijn voor het ondersteunen van netwerken. (deze worden soms ook aangestuurd door
professionals)
3. GEMEENSCHAPPEN
Gemeenschappen zijn meer gedifferentieerde, lossere, complexere en/of omvangrijkere
verbanden. Denk aan straten, buurten, wijken of steden met gedifferentieerde
cultuurgemeenschappen. Regelgeving van formele instanties en instellingen is hierbij in trek.
De mate van rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, kansengelijkheid en veiligheid in een
gemeenschap is mede bepalend voor het sociaal functioneren van mensen en netwerken. De
wijkvoorzieningen moeten aansluiten op de mensen die ze trekken. Professionals op het
gebied van sociaal werk versterken bestaande gemeenschappen om het sociaal functioneren
van mensen in die gemeenschap te optimaliseren en om de gemeenschap zelf te
optimaliseren.
Het sociaal domein wordt wel een ‘ill structured domain’ genoemd. Gebeurtenissen en situaties in dit
domein vertonen vaak unieke combinaties en interacties van samenstellende factoren. Veel
onderwerpen hebben raakvlakken met elkaar en overlappen elkaar wanneer men inzoomt.
Professionals sociaal werk moeten complexiteit van problemen moeten kunnen doorzien en kunnen
schakelen tussen verschillende contexten die van invloed zijn. Oplossingen zijn daarom vaak
procesmatig. Je werkt vaak met professionals van andere disciplines en weten hoe zij van pas kunnen
komen en waar ze elkaar kunnen aanvullen.
Sociale en gezondheidzorg hebben veel invalhoeken met elkaar. Ze streven naar positieve
gezondheid. Dit wil zeggen het vermogen van mensen zich aan te passen en eigen regie te voeren in
het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven. Positieve gezondheid bevat 6
hoofddimensies: mentaal welbevinden, spiritualiteit, kwaliteit van het leven, sociaal
maatschappelijke participatie, dagelijks functioneren en lichaamsfuncties.
Raakvlakken met educatieve domein: (it takes a village to raise a child). Het reguliere onderwijs moet
meer kinderen met een beperking opnemen. Dit vraag expertise die een lerarenopleiding niet altijd
meer kan bieden. Maar denk ook aan laagdrempelige wijkontwikkeling, zoals cursussen voor
nieuwkomers etc.