Paragraaf 6.10
Synoviale gewrichten
Spelen een rol bij onze dagelijkse activiteiten. Alle spiervezels die door een enkel motorische neuron
worden aangestuurd, wormen een motorische eenheid. De omvang van een motorische eenheid
geeft aan hoe fijn de regulering van de beweging kan zijn.
Type beweging
Glijbeweging
Glijden 2 tegenovergestelde oppervlakken langs elkaar. Glijbewegingen vinden plaats tussen de
oppervlakken van verbonden handwortelbeentjes en tersale beenderen en tussen de claviculae en
het sternum. De beweging kan vrijwel in elke richting plaatsvinden maar de mate van beweging is
beperkt. Rotatie wordt meestal door het gewrichtskapsel en de daarmee verbonden banden
verhinderd.
Hoekbeweging
- flexie
- extensie
- adductie
- abductie
- cirumductie
flexie: (buigen) is een beweging is het dorso-ventrale vlak. Waardoor de hoek tussen de verbonden
elementen kleiner wordt gemaakt.
Extensie: (strekken) gebeurd in hetzelfde vlak, maar deze beweging maakt de hoek tussen de
verbonden botten groter. Met deze termen worden meestal bewegingen van lang botten van de
ledematen aangeduid. Maar ze worden ook gebruikt voor bewegingen van het axiale skelet. Wanneer
we bv het hoofd naar de borst brengen, vertonen de gewrichten tussen de wervels van de half flexie.
Als we ons omlaag bewegen om onze tenen aan te raken, vertoont de gehele wervelkolom flexie. Bij
extensie worden deze bewegingen omgekeerd.
Ventraal: door flexie bij het schoudergewricht of het heupgewricht worden de ledematen naar voren
bewogen.
Dorsaal: terwijl ze door extensie terug worden bewogen.
Hyperextensie: Door flexie van het polsgewricht beweegt de hand zich naar voren, en door extensie
naar achteren. Bij elk van deze voorbeelden kan extensie voorbij de anatomische positie worden
voortgezet.
Abductie: (ab- vanaf) is beweging van de mediaanlijn van het lichaam af in het frontale vlak. Het
zijwaarts naar buiten uitstrekken van de arm is een voorbeeld van abductie van de arm.
Adductie: (ad, naartoe) als de arm in de anatomische positie wordt teruggebracht. Door adductie van
de hand on de richting van het lichaam gebracht. Terwijl deze door abductie verder van het lichaam
wordt bewogen. Het spreiden van de vingers of tenen is een voorbeeld van abductie, omdat ze zich
weg verplaatsen van de middelste vinger of teen . Als we de vinger of tenen naar elkaar toe brengen,
is dat adductie. Abductie en adductie hebben altijd betrekking op bewegingen van het skelet van de
ledematen, niet op die van het axiale skelet.
Figuur 6-32 blz 209!!
, Circumductie: (circum, rond)is een andere type hoekbeweging. Bv het bewegen van de arm in een
lus. Bv als iemand een grote cirkel op een schoolbord tekent. De arm als geheel beschrijft een
kegeloppervlak.
Rotatie: Betekend het draaien rond de lengteas van het lichaam of van een arm of been. We kunnen
het hoofd bv roteren om naar links of rechts te kijken.
Pronatie: (voorover kantelen) bij de botverbindingen tussen radius en ulna is rotatie mogelijk van het
distale uiteinde van de radius over het voorste oppervlak van de ulna. Door deze rotatie worden de
pols en hand zodanig bewogen dat de handpalm naar achteren wordt gedraaid.
Suponatie: (achteroverkantelen) De tegengestelde beweging, waarbij de handpalm naar voren wordt
gedraaid.
Speciale bewegingen
Inversie: (in, erin+ vertere, draaien) is een draaiende beweging van de voet waarbij de voetzool naar
binnen wordt gedraaid, waardoor de mediale rand van de voet omhoog komt.
Eversie: de omgekeerde beweing.
Dorsiflexie: is buiging van he enkelgewricht en een beweging omhoog van de voet, zoals wanneer
iemand zijn hakken in het zand zet.
Plantaire flexie: (plant, zool) de omgekeerde beweging, wordt het enkelgericht gestrekt en komt de
hiel omhoog, zoals wanneer iemand op zijn tenen staat.
Oppostie: is de beweging van de duim in de richting van de handpalm of vingertoppen, waardoor we
voorwerpen kunnen oppakken en vasthouden,
Repositie: is de beweging die de duim vanuit oppositiestand terugbrengt.
Protractie: vindt plaats wanneer iemand een deel van het lichaam in het horizontale vlak naar voren
beweegt.
Retractie: is de omgekeerde beweging. Protractie treedt op in de kaak wanneer iemand zijn bovenlip
met zijn ondertanden pakt en bij de claviculae wanneer iemand zijn arme kruist.
Elevatie en depressie: treden op wanneer een structuur respectievelijk omhoog of omlaag wordt
bewogen. Depressie van de mandibula treedt op wanneer iemand zijn mond opent en elevatie
wanneer de mond wordt gesloten.
Lateroflexie: is het naar opzij buigen van de wervelkolom.
Tupen synoviale gewrichten.
Elk type gericht laat een andere soort en een andere mate van beweging toe.
Glijdende gewrichten: hebben vlakke of licht gebogen oppervlakken. De Betrekkelijk vlakke gewricht
oppervlakken glijden langs elkaar, maar er is slechts een geringe mate van beweging. Hoewel bij dit
type gericht rotatie in theorie mogelijk is, wordt een dergelijke beweging meestal door banden
verminderd of beperkt.
Schaniergewrichten: laten een hoekbeweging toe in een enkel vlak, zoals bij het openen en sluiten
van een deur.
Draaigewrichten: laten alleen rotatie toe. Ze stellen ons in staat het hoofd naar beide zijden te
roteren en de handpalm, te poneren en te supineren.
Condylair gericht: is een ovaal gerichtsvlak binnen een instulping aan het tegenovergelegen
oppervlak genesteld.
Zadelgewrichten: hebben gewrichtsvlakken die in elkaar passen zoals een ruiter in een zadel. Het ene
gerichtsoppervlak is hol en het anderen bol en de tegenover elkaar gelegen vlakken passen in elkaar.
Door de bouw is hoek beweging mogelijk, met inbegrip van cirumductie, maar wordt rotatie
verhinderd. Wanneer iemand met zijn duimen draait zijn de bewegingsmogelijkheden zichtbaar.
Kogelgewricht: rust de ronde kop van het ene bot in een komvormige instulping van een ander
bot.alle combinaties van bewegen. Met inbegrip van cirvimductie en rotatie, worden uitgevoerd.
SPOTLIGHT BLZ 212