Bij ouderen gaat de mobiliteit vaak achteruit Hoe minder mobiel, hoe meer afhankelijk iemand is
Veroudering kan zich uiten in een geleidelijke vermindering van de bewegingscapaciteit en van de
besturingsvaardigheid en afname van het bewegingsinitiatief (tabel 6. l).
de volgende vasculaire aandoeningen kunnen bij ouderen leiden tol duizeligheid,
- Vertebobasilaire insufficiëntie.
Tijdens abrupt opzij draaien of ver achteroverbuigen van het hoofd worden de vertebrale
arteriën tegen spondylotische Of spondylartrotische botuitwassen van de halswervels
afgeklemd. Omdat deze arteriën direct via de a basilaris de hersenstam en het cerebellum
verzorgen en via de cirkel van Willis de hersencirculatie voeden, vermindert de
hersendoorbloeding. Er treedt duizeligheid op.
- Drop attack. De patiënt wordt onverwachts duizelig en valt plotseling door krachteloze benen
en blijft vervolgens als een verkreukelde ledenpop liggen. Er bestaat geen bewustzijnsverlies,
andere neurologische symptomen ontbreken. Maar zonder hulp kan de patiënt niet opstaan.
- Transient ischemic attack (TIA), vooral als die plaatsvindt in het stroomgebied van de a.
basilaris. Duizeligheid. evenwichtsstoornis, Ook wel syncope en niet zelden een Val Tijn het
gevolg. Kortdurende neurologische uitvalsverschijnselen doen aan TIA denken.
- Orthostatische hypotensie. komt bij tien tot vijftien procent van de gezonde ouderen voor, bij
mensen ouder dan 85 jaar is dat zelfs dertig tot veertig procent, en wordt bevorderd door
neurologische aandoeningen, cardiovascuiaire ziekten en metabole stoornissen en in
toenemende mate door geneesmiddelen
Na abrupt opstaan, hoesten. bij medicatie of en ook wel na een maaltijd treedt dan bloeddrukdaling
op. Bij ongeveer de helft van deze ouderen gaat de bloeddrukdaling gepaard met bleekheid. tremor.
Wazig zien, transpireren en vooral met duizeligheid. Bij twintig procent komt het zelfs tot een val.
Bewustzijnsstoornissen zijn zeldzamer: vijf Lot tien procent, Voor de diagnose is de anamnese het
meest belangrijk. Bij het lichamelijk onderzoek kan men de bloeddruk liggend meten en drie na
opstaan.
Behandeling
Men dient duizeligheid bij de oorzaak aan te pakken. Het is beter geen geneesmiddelen meer voor te
schrijven die duizeligheid bevorderen.
Hoofdstuk 4.1 Pijn
Het fenomeen pijn kan worden ingedeeld in:
- nociceptieve pijn : pijn door weefselschade deze pijn vermindert of verdwijnt na genezing;
- niet-nociceptieve pijn: pijn door beschadiging van de pijnbanen in de hersenen, ruggenmerg
of zenuwen of door wortelbeklemming
Nociceptieve pijn ontstaat bij prikkeling van de nocisensoren (pijnsensoren). Dit zijn onbedekte
uiteinden van zenuwbanen die overal door het lichaam lopen.
Weefselschade is dus de universele pijnprikkel. Overal waar weefsel in het lichaam wordt beschadigd,
wordt bradykinine gevormd. Deze stof zet het ontstekingsproces (nodig voor herstel) in gang.
Klinisch kan pijn worden onderverdeeld in somatisch en visceraal. Men spreekt van chronische pijn
als deze langer dan drie maanden aanhoudt.
Somatische pijn kan uitgaan van de huid, spieren of gewrichten.
Oppervlakkige somatische pijn is scherp en stekend. Hierbij gil je het vaak uit. Deze pijn gaat uit van
de bovenste huidlagen of de slijmvliezen, en duurt meestal maar kort. Deze oppervlakkige somatische
, pijn wordt voortgeleid door de Aδ-vezels . Dit zijn dikke vezels met een myelineschede. Aδ-vezels
geleiden de pijn zeer snel (2–7 meter per seconde) naar het ruggenmerg en de hersenstam. De
pijnprikkel gaat ook direct (via de achterhoornneuronen van het ruggenmerg) naar de motorische
voorhoorncellen en motorische zenuwen van hetzelfde gebied. Dit leidt ertoe dat het lichaamsdeel
snel wordt teruggetrokken (terugtrekreflex).
Diepe somatische pijn is meestal branderig, zeurend of jeukend. De betrokken pijnreceptoren liggen
in de diepere huidlagen of in spieren of gewrichten. Diepe somatische pijn is diffuser en langduriger
dan de oppervlakkige vorm. Hij wordt door de dunne, niet-gemyeliniseerde C-vezels voortgeleid. De
C-vezels geleiden de prikkel langzaam (1 meter per seconde).
Viscerale pijn ontstaat door prikkeling van de nocisensoren in de organen in borst- en buikholte. Net
als diepe somatische pijn is viscerale pijn dof en knagend.
Zowel de oppervlakkige en diepe somatische pijnbanen als de viscerale pijnbanen maken via
synapsen contact met zenuwcellen in het dorsale gedeelte van het ruggenmerg. De prikkels worden
daar verwerkt en via de opstijgende banen in het ruggenmerg onder andere doorgegeven naar de
thalamus (spinothalamische banen). Hiervandaan lopen veel verbindingen naar het limbische
systeem, waardoor de pijn een onaangenaam gevoel oproept. Vanuit het limbische systeem worden
de basale kernen geactiveerd, waardoor de pijn in het gelaat tot expressie komt. Door projecties naar
de sensorische hersenschors kan de pijn worden herkend en geïnterpreteerd.
Analgesie is pijnbestrijding en anesthesie is gevoelloos maken.
perifere analgetica. Hiertoe horen de NSAID’s ( non-steroidal anti-inflammatory drugs), zoals
acetylsalicylzuur (Aspirine), ibuprofen, naproxen en diclofenac.
centrale analgetica: Morfine en morfinomimetica , zoals pethidine, Die blokkeren de
impulsoverdracht in de synapsen van de pijnbanen in het ruggenmerg, zoals de endorfinen dat doen.
Ademdepressie is een belangrijke bijwerking van morfine.
Anesthetica onderdrukken niet alleen pijn, maar ook de andere sensibele prikkels. De meeste
regionale anesthetica zijn afgeleid van cocaïne. De bekendste is lidocaïne . Er is sprake van narcose
(algehele narcose is een pleonasme) als ook het bewustzijn wordt uitgeschakeld. Dit kan worden
bereikt door middel van intraveneuze toediening of inhalatie.
Hoofdstuk 4.2 Analgetica
Principes bij de behandeling van pijn
Wanneer het enigszins mogelijk is, moet de oorzaak van de pijn weggenomen worden. Dit kan op vele
manieren, waaronder operatief. Voor de medicamenteuze behandeling gelden de volgende principes.
Bij de eerste toediening moet hoog genoeg gedoseerd worden. Op deze wijze wordt de
therapeutisch effectieve concentratie sneller bereikt.
Pas bij onvoldoende werking wordt overgegaan op de volgende stap.
Gebruik medicatie op vaste tijden, die zijn afgestemd op de momenten waarop de pijn het
hevigst is.
Gebruik medicatie ook ’s nachts of indien mogelijk een dubbele dosis voor de nacht.
Bijwerkingen preventief behandelen, zoals laxantia bij opioïdengebruik.
Meestal wordt het volgende pijnschema gehanteerd.
1. Behandeling met niet-opioïde analgetica.
2. Behandeling met niet-opioïde analgetica en codeïne.