Paragraaf 1.4 Preventie en het ontstaan van kanker
Hoe kanker ontstaat, is dus nog niet helemaal bekend. Wel is duidelijk dat een aantal exogene en
endogene factoren het risico op kanker kan beïnvloeden
Paragraaf 1.4.1 Preventie
Preventieve geneeskunde wil zeggen ‘het bevorderen van de gezondheid en het voorkomen van
ziekmakende invloeden’.
Er zijn drie vormen van preventie:
- Primaire preventie is gericht op het voorkómen van het ontstaan van kanker.
- Secundaire preventie is gericht op het zo vroeg mogelijk ontdekken van kanker en het geven
van een adequate behandeling.
- Tertiaire preventie is erop gericht om de gevolgen van de aandoening zo veel mogelijk te
beperken en een eventuele tweede tumor te voorkomen
Exogene factoren
- Roken - zonnen
- Voeding - overgewicht
- Beweging - beroepsrisico
- Alcohol - geneesmiddelen
- ioniserende straling (wordt gebruikt bij kanker kan weer een verhoogd risico op leukemie
geven
- infecties - milieu
Paragraaf 1.4.3 Endogene factoren
- hormonen
- genetische factoren
- gevolg van andere ziekte.
- na hepatitis of bij levercirose
- met de ziekte van crohn of colitis ulcerosa (kans op het ontstaan van een tumor in het colon)
Paragraaf 1.4.4 Chemopreventie
Chemopreventie is de toediening van (genees)middelen aan bepaalde groepen personen
(bijvoorbeeld hoogrisicogroepen) met als doel de ontwikkeling van kanker te remmen.
Voor chemopreventie kan gebruikgemaakt worden van natuurlijke, in voedingsmiddelen
voorkomende stoffen (zoals vitamineachtige stoffen) of van synthetische middelen (zoals sommige
hormoonpreparaten). De stoffen kunnen verschillende werkingsmechanismen hebben, zoals:
- de schade veroorzaakt door kankerverwekkende stoffen beperken;
- de ontwikkeling van voorstadia van kanker tot kwaadaardige tumor tegengaan.
Paragraaf 1.5 Tumorgroei
Het menselijk lichaam bestaat uit een veelheid aan verschillende structuren en elke structuur bestaat
uit cellen (zie Figuur 1.1) die een specifieke functie behorend bij het desbetreffende weefsel
hebben. In veel organen vindt een voortdurend afsterven van cellen plaats waarna deze door nieuwe
cellen worden vervangen. Het lichaam bevindt zich op die manier in een voortdurende
evenwichtssituatie.
, De celdeling , waarbij uit één cel twee nieuwe cellen ontstaan, is
een gecompliceerd proces dat zich afspeelt in verschillende fases:
- DNA-synthesefase of S-fase: in deze fase begint in de
celkern een verdubbeling op te treden van DNA-ketens en
ontstaan in elke cel twee identieke sets chromosomen. De
cellen hebben een verhoogd DNA-gehalte. Hieruit kan men
bijvoorbeeld de delingsactiviteit in de tumor afleiden.
- Delings- of M-fase: de M-fase is de delingsfase (mitosefase)
waarin daadwerkelijk twee nieuwe cellen ontstaan.
- G1-fase (tussen de M- en S-fase): de groeifase waarin de pas gevormde cellen gestaag
groeien totdat ze een zekere mate van volwassenheid hebben bereikt. Hoe lang deze fase
duurt, verschilt van weefsel tot weefsel.
- G2-fase: de groei gaat hier verder totdat de cel een bepaalde mate van rijpheid heeft
verkregen en de kern een dubbele hoeveelheid DNA bevat.
Kankercel groei
Bij kanker gaat het om een verstoring in de evenwichtssituatie tussen celgroei en celdood. Voordat
een kwaadaardige tumor een zodanige omvang heeft bereikt dat hij voelbaar of anderszins
detecteerbaar is, treden doorgaans ongeveer veertig tumorcelpopulatieverdubbelingen op. Als de
tumor een diameter van ongeveer 1 cm heeft bereikt en klinisch detecteerbaar wordt, is dit al een
laat stadium in de wordingsgeschiedenis van de tumor: een tumor heeft er net zo lang voor nodig om
van 0,5 cm te groeien naar 1 cm als van 1 naar 2 cm en vervolgens van 2 naar 4 cm, enzovoort. De
tumor toont daarmee exponentiële groei.
Paragraaf 1.6 Carcinogenese
Carcinogenese wil zeggen: het proces van het ontstaan van kwaadaardige tumoren.
Paragraaf 1.6.1 Oncogenen
Een oncogen is een gemuteerde variant van een zogenoemd proto-oncogen. Het proto-oncogen is
dus een normaal gen; door een mutatie wordt het op een abnormale manier geactiveerd.
Geactiveerd in deze context betekent dat het eiwit dat wordt gecodeerd door het oncogen een
abnormale activiteit heeft bij de celgroei. Deze ongecontroleerde celgroei kan worden veroorzaakt
door een kleine mutatie van een gen, maar ook door een breuk in de chromosomen.
Paragraaf 1.6.2 Tumorsuppressorgenen
Tumorsuppressorgenen coderen voor eiwitten die een remmende invloed hebben op de celgroei.
Door een mutatie kan het tumorsuppressorgen geïnactiveerd worden of zelfs geheel vernietigd
worden. Inactivatie van een tumorsuppressorgen resulteert in het verdwijnen van een eiwit dat de
celgroei remt. Oncogenen worden ook wel vergeleken met een gaspedaal, terwijl
tumorsuppressorgenen vergeleken worden met een rem. Intrappen van het gaspedaal of verwijderen
van de rem leidt in dit model tot ongecontroleerde groei.
Paragraaf 1.7.1 Goedaardige tumor
Een goedaardige tumor kenmerkt zich doordat hij over het algemeen niet snel groeit, goed is
ingekapseld en anatomische begrenzingen respecteert.
Paragraaf 1.7.2 Kwaadaardige tumor