H3 Tijd van monniken en ridders
Kenmerkende aspecten:
1. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
2. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur.
3. De verspreiding van het Christendom in geheel Europa.
4. Het ontstaan en de verspreiding van de Islam.
Val Romeinse rijk -> volksverhuizingen
Macht kwam in handen van Germaanse Koningen, zoals de Frankische Koning Clovis.
Problemen voor de Frankische Koning:
- Alleen geestelijken konden lezen en schrijven.
- Wegen werden slecht onderhouden.
- Handel verdween.
Clovis stelde vazallen (= iemand die de eed van trouw aflegt in ruil voor zijn levenshoud.
Hij is krijgsman of vervult administratieve taken aan het hof) aan.
Feodale stelsel:
Koning/vorst (hoge adel) Heeft een te groot rijk en kan niet overal komen, dus verdeeld zijn
grondgebied in leen.
Leenman (zweerden trouw aan de koning + soldaten leveren)
Achterleenmannen (lage adel)
Karel de Grote
Verdeelde zijn gebied in 400 graafschappen
Hij kreeg veel aanzien:
- In 773 riep de paus hem te hulp toen Rome aangevallen werd, Karel beloofde klaar te
staan voor de paus en de kerk.
- In 800 op kerstviering werd hij als keizer gekroond. Karel werd de opvolger van de
West-Romeinse keizers.
Zwarte feodalisme:
- Leenmannen wilde macht binnen eigen familie houden. (-> Koning verliest controle
over de leen en de koning komt in conflict met de leenmannen.)
- Verhouding tussen leenheer en de leenmannen werd minder persoonlijk.
- Leenmannen
- Benoemden zelf ook achterleenmannen.
, Agrarisch-urbane samenleving: Samenleving waarin de meeste mensen van de landbouw
leven, maar ook kleine steden met handel en nijverheid.
Toen kwamen de volksverhuizingen, en werd het na 500 een agrarisch autarkische
samenleving: samenleving met weinig steden en handel en weinig specialisatie in nijverheid.
Nadruk op de landbouw. De samenleving is zelfvoorzienend.
Boeren in de Middeleeuwen.
Vrije boeren – Dienstplicht en eigen grond.
Horige boeren – Boer die aan het domein van een heer gebonden is.
Hofstelsel: Economisch systeem van een door vrijen en horigen bewerkt landgoed.
Onveiligheid -> <- Landgoedgrond
Honger -> Boeren <- Bescherming
Armoede -> lage adel
Deel van de oogst
afstaan ->
Herendiensten ->
Domein = landgoed.
Verschil tussen hofstelsel en feodale stelsel:
- Economisch systeem - Politiek systeem
- Sociale verhoudingen - Boeren staan erbuiten
- Tussen de vorst + adel
Dorestad:
- Havenstad
- Lag aan de splitsing van de Rijn + de Lek.
- Aantrekkelijk voor handel + militaire doeleinden.
- Eigen munt.
- Veel plunderingen door Noormannen.