Beco domein A: Basisvaardigheden
H1: Bedrijfseconomie
P1: Bedrijfseconomie en maatschappij
Bedrijfseconomie is onderdeel van de economische wetenschap.
Bij algemene economie richten onderzoekers zich op het grote geheel van relaties tussen groepen.
Econometrie richt zich vooral op de wiskundige kant.
Bij bedrijfseconomie gaat over het gedrag van individuele ondernemingen.
Waarom bestaan ondernemingen? Hoe komen ze aan de afnemers? Waar halen ze het vermogen vandaan? Hoe bereken je
winst? Waar vestig je een onderneming? Hoe kom je aan goed personeel? Aan welke wetten moeten ze zich houden? hoe
houden ze overzicht?
Aspecten die bij ondernemerschap horen: teruglopende/aantrekkende markt, leeglopende
winkelstraten, winstmarges die onder druk staan, zoeken naar nieuwe producten, belastingen.
Ondernemingen zijn een integraal onderdeel van de maatschappij: ze leveren producten, maar ook
heb je er voortdurend mee te maken.
Bij verenigingen en stichtingen spelen dezelfde vragen als bij een onderneming.
P2: Personen, ondernemers en organisaties
Een onderneming= commerciële organisatie/profitorganisatie/bedrijf/ organisatie die producten maakt en
verkoopt of diensten verleent met het doel winst te maken.
Verenigingen en stichtingen zijn meestal niet-commerciële organisaties (Non-profitorganisatie). Ze
streven niet naar winst en hebben een ander doel dat afhankelijk is van de soort organisatie. (school:
goed onderwijs/ veel geslaagden).
Organisatie= samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken . Zowel
ondernemingen als verenigingen en stichtingen. Personen/gezinnen niet.
Rechtsvorm= juridische vorm van de organisatie (wie de leiding heeft en wie verantwoordelijk is voor
schulden):
- Eenmanszaak: 1 eigenaar die de leiding heeft en volledig verantwoordelijk is.
- Vennootschap onder firma: 2 of meer eigenaren die samenwerken onder een gemeenschappelijke
naam, elke eigenaar apart verantwoordelijk.
- Besloten vennootschap en naamloze vennootschap: rechtspersonen. Hebben zelfstandige rechten
en verplichtingen, waarbij de eigenaren meestal alleen aansprakelijk zijn voor het bedrag dat ze in
hebben gebracht.
Niet-commerciële organisatie:
Vereniging= organisatie met leden, een bestuur en een bepaald doel.
Stichting= organisatie met een bestuur en bepaald doel.
Management= totale takenpakket van managers: doelstellingen bepalen, plannen, organiseren,
leidinggeven en controleren. (continu proces).
Aantal taken:
- 3 soorten doelstellingen:
1. Strategische= geven aan wat organisatie op lange termijn wil bereiken. 5-10 jaar. Topmanagement.
2. Tactische= invulling en uitwerking van strategische doelstellingen. 2-5 jaar. Middenmanagement.
3. Operationele= invulling en uitwerking van tactische doelstellingen. Tot 2 jaar. Lager management.
1
H1: Bedrijfseconomie
P1: Bedrijfseconomie en maatschappij
Bedrijfseconomie is onderdeel van de economische wetenschap.
Bij algemene economie richten onderzoekers zich op het grote geheel van relaties tussen groepen.
Econometrie richt zich vooral op de wiskundige kant.
Bij bedrijfseconomie gaat over het gedrag van individuele ondernemingen.
Waarom bestaan ondernemingen? Hoe komen ze aan de afnemers? Waar halen ze het vermogen vandaan? Hoe bereken je
winst? Waar vestig je een onderneming? Hoe kom je aan goed personeel? Aan welke wetten moeten ze zich houden? hoe
houden ze overzicht?
Aspecten die bij ondernemerschap horen: teruglopende/aantrekkende markt, leeglopende
winkelstraten, winstmarges die onder druk staan, zoeken naar nieuwe producten, belastingen.
Ondernemingen zijn een integraal onderdeel van de maatschappij: ze leveren producten, maar ook
heb je er voortdurend mee te maken.
Bij verenigingen en stichtingen spelen dezelfde vragen als bij een onderneming.
P2: Personen, ondernemers en organisaties
Een onderneming= commerciële organisatie/profitorganisatie/bedrijf/ organisatie die producten maakt en
verkoopt of diensten verleent met het doel winst te maken.
Verenigingen en stichtingen zijn meestal niet-commerciële organisaties (Non-profitorganisatie). Ze
streven niet naar winst en hebben een ander doel dat afhankelijk is van de soort organisatie. (school:
goed onderwijs/ veel geslaagden).
Organisatie= samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken . Zowel
ondernemingen als verenigingen en stichtingen. Personen/gezinnen niet.
Rechtsvorm= juridische vorm van de organisatie (wie de leiding heeft en wie verantwoordelijk is voor
schulden):
- Eenmanszaak: 1 eigenaar die de leiding heeft en volledig verantwoordelijk is.
- Vennootschap onder firma: 2 of meer eigenaren die samenwerken onder een gemeenschappelijke
naam, elke eigenaar apart verantwoordelijk.
- Besloten vennootschap en naamloze vennootschap: rechtspersonen. Hebben zelfstandige rechten
en verplichtingen, waarbij de eigenaren meestal alleen aansprakelijk zijn voor het bedrag dat ze in
hebben gebracht.
Niet-commerciële organisatie:
Vereniging= organisatie met leden, een bestuur en een bepaald doel.
Stichting= organisatie met een bestuur en bepaald doel.
Management= totale takenpakket van managers: doelstellingen bepalen, plannen, organiseren,
leidinggeven en controleren. (continu proces).
Aantal taken:
- 3 soorten doelstellingen:
1. Strategische= geven aan wat organisatie op lange termijn wil bereiken. 5-10 jaar. Topmanagement.
2. Tactische= invulling en uitwerking van strategische doelstellingen. 2-5 jaar. Middenmanagement.
3. Operationele= invulling en uitwerking van tactische doelstellingen. Tot 2 jaar. Lager management.
1