Enige “relevante” herhaling:
Coping: Hoe je ergens mee omgaat. (omgaan met problemen)
Copingstrategieën:
1. Probleem gericht gedragsmatig
o Dit is de copingstijl die je als fysiotherapeut graag wil hebben
Bv huis oefenschema uitvoeren, of vragen stellen
2. Probleem gericht cognitief
o Alles tegen het probleem aan te kijken
Bv ik ben moe en ga mijn activiteiten anders indelen op de dag
3. Emotie gericht gedragsmatig
o Klacht negeren en “slechte” gewoontes toepassen
Bv roken, drinken, nagels bijten
4. Emotie gericht cognitief
o Piekeren over het probleem en anderen erbij betrekken
Bv praten over het probleem
Attributie: Komen de klachten door mezelf of door een ander (oorzaak)
Interne attributiestijl
o Het komt door mijzelf
Externe attributiestijl
o Het komt door iets of iemand anders
Locus of control: Heb ik invloed op mijn eigen toekomst/behandeling (gevolg)
Interne locus of control
o Ik bepaal mijn lot zelf
Externe locus of control
o De omgeving bepaalt mijn lot
Persoonlijkheid, 2 modellen:
Big Five: Menselijke persoonlijkheid in 5 dimensies:
1. Extraversie (het buiten het lichaam brengen of objectiveren van persoonlijke gevoelens of
emoties)
2. Aangenaamheid
3. Consciëntieusheid (gewetensvol)
4. Emotionele stabiliteit
5. Openheid voor ervaringen (introversie)
DSM-4: (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) Drie clusters:
1. “Buitenbeentjes” (bizarre cluster)
o Paranoide achterdocht
o Schizoide geen behoefte aan contact met anderen/afstandelijk
o Schizotypische vreemd gedrag
2. “Lastpakken” (dramatische cluster)
o Narcistische (obsessie) behoefte aan macht en bewondering
o Antisociale egoistisch en meedogenloos
o Theatrale aandacht
o Borderline (grens) instabiel en impulsief
3. “Angsthazen” (angstige cluster)
o Dwangmatige controle en perfectie
o Vermijdende schaamte en faalangst
o Afhankelijke goedkeuring/passiviteit
Relatie tussen cognitie, emotie & gedrag: Er vind eerst cognitie plaats (men beseft iets), en daarop
volgt een bepaalde emotie en die wordt geuit met een bepaalde gedrag.
Het RET (Rationele-Emotieve Therapie) schema geeft dit weer:
a. Activating event (gebeurtenis) er gebeurt iets (situatie je hoort gerinkel)
b. Belief system (cognitivisme) je realiseert het (gedachten er wordt ingebroken)
, c. Emotional and behavioral Consequences (emoties/gedrag) je reageert erop (je wordt
kwaad)
MeerDimensionaal Belasting-Belastbaarheidsmodel (MDBB-model):
Belasting en belastbaarheid worden niet alleen op het niveau van weefsels, organen en
orgaanstelsels in hun onderliggende relatie beschouwd, maar ook op het niveau van de persoon in
relatie tot zijn omgeving. Het is een biopsychosociaal model. Hierbij is grofweg belastbaarheid het
geen wat de patiënt qua belasting aankan. En belasting wat de patiënt qua belasting ervaart.
Het ontstaan van klachten kan worden beïnvloed vanuit de 4 invalshoeken:
Biomechanische Belasting (omgevingsgebonden factoren): Psychosociale Belasting (psychologische ervaringen):
Wat krijgt de patiënt voor arbeid te verduren in een week, welke Wat is de psychische druk die volgens de patiënt uit zijn/haar
activiteiten worden uitgevoerd en let daarbij op de duur, persoonlijke gevoelens en/of omgeving krijgt, denk hierbij aan;
intensiteit, frequentie: werk nodig?, stress, push van andere mensen etc.:
- de houding - werkdruk - gemoedstoestand (blij, boos, verdriet)
- de duur van de activiteit - conflicten - life-events (sterfgeval, verhuizing, scheiding)
- de zwaarte van de activiteit - stress - angst
Biomechanische Belastbaarheid (persoonsgebonden fact.): Psychosociale Belastbaarheid (psych. omgang ervaringen):
Wat kan de patiënt eigenlijk aan qua belasting, dit kun je als Wat geeft de patiënt aan te kunnen, hoe gaat de persoon om
fysiotherapeut ook uitvragen, tevens kun je als fysiotherapeut je met de belasting, is dit belemmerend of niet, etc. :
hypothese van de klacht toepassen: - coping - omgang met de ziekte/gezondheid
- ziekte - ziektegeschiedenis - ongevallen - attributiestijl - omgang met de stress/angst
- gewicht - erfelijke factoren - geslacht - locus of control - persoonseigenschappen
- lenigheid - conditie - kracht - cognities - emoties
- leeftijd - hulpmiddelen - nocisensoriek / pijngedrag (kan leiden tot chronische pijn)
Motivatie strategieën:
Motivatietheorie- 6 stappen model:
1. Open staan
o Geen continue gegeven
o Behoefte aan informatie is voorwaarde
o Emoties
2. Begrijpen
o Voorkennis & Sluit dit aan bij kennis en behoefte van patiënt
o Concentratie
o Via meerdere kanalen aanbieden, ondersteunende middelen
o Logische opbouw
o Presenteer een eenvoudige, heldere boodschap, metaforen
o Praat rustig & Betrek de patiënt bij informatie
o Ga na of de patiënt de informatie heeft begrepen
3. Willen
o Attitude (denkbeelden en verwachtingen)
o Voor en nadelen (korte/lange termijn)
o Sociale invloed (hoe steun vergaren)
o Eigen effectiviteit (patient succes laten ervaren)
o Negatieve gedachtes heretiketteren
4. Kunnen
o Handelingsvaardigheden
o Problemen of barrieres
Praktisch (ruimte, kosten, ontbreken hulpmiddelen)
Planning
In contact met anderen
5. Doen
o Concrete, haalbare doelen & Concrete afspraken maken
o Positieve feedback
o Expliciet vragen wat niet gelukt is
o Inpassen binnen ADL
6. Blijven doen
o Positieve feedback & Anticipeer op terugval & Follow-up afspraak
Coping: Hoe je ergens mee omgaat. (omgaan met problemen)
Copingstrategieën:
1. Probleem gericht gedragsmatig
o Dit is de copingstijl die je als fysiotherapeut graag wil hebben
Bv huis oefenschema uitvoeren, of vragen stellen
2. Probleem gericht cognitief
o Alles tegen het probleem aan te kijken
Bv ik ben moe en ga mijn activiteiten anders indelen op de dag
3. Emotie gericht gedragsmatig
o Klacht negeren en “slechte” gewoontes toepassen
Bv roken, drinken, nagels bijten
4. Emotie gericht cognitief
o Piekeren over het probleem en anderen erbij betrekken
Bv praten over het probleem
Attributie: Komen de klachten door mezelf of door een ander (oorzaak)
Interne attributiestijl
o Het komt door mijzelf
Externe attributiestijl
o Het komt door iets of iemand anders
Locus of control: Heb ik invloed op mijn eigen toekomst/behandeling (gevolg)
Interne locus of control
o Ik bepaal mijn lot zelf
Externe locus of control
o De omgeving bepaalt mijn lot
Persoonlijkheid, 2 modellen:
Big Five: Menselijke persoonlijkheid in 5 dimensies:
1. Extraversie (het buiten het lichaam brengen of objectiveren van persoonlijke gevoelens of
emoties)
2. Aangenaamheid
3. Consciëntieusheid (gewetensvol)
4. Emotionele stabiliteit
5. Openheid voor ervaringen (introversie)
DSM-4: (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) Drie clusters:
1. “Buitenbeentjes” (bizarre cluster)
o Paranoide achterdocht
o Schizoide geen behoefte aan contact met anderen/afstandelijk
o Schizotypische vreemd gedrag
2. “Lastpakken” (dramatische cluster)
o Narcistische (obsessie) behoefte aan macht en bewondering
o Antisociale egoistisch en meedogenloos
o Theatrale aandacht
o Borderline (grens) instabiel en impulsief
3. “Angsthazen” (angstige cluster)
o Dwangmatige controle en perfectie
o Vermijdende schaamte en faalangst
o Afhankelijke goedkeuring/passiviteit
Relatie tussen cognitie, emotie & gedrag: Er vind eerst cognitie plaats (men beseft iets), en daarop
volgt een bepaalde emotie en die wordt geuit met een bepaalde gedrag.
Het RET (Rationele-Emotieve Therapie) schema geeft dit weer:
a. Activating event (gebeurtenis) er gebeurt iets (situatie je hoort gerinkel)
b. Belief system (cognitivisme) je realiseert het (gedachten er wordt ingebroken)
, c. Emotional and behavioral Consequences (emoties/gedrag) je reageert erop (je wordt
kwaad)
MeerDimensionaal Belasting-Belastbaarheidsmodel (MDBB-model):
Belasting en belastbaarheid worden niet alleen op het niveau van weefsels, organen en
orgaanstelsels in hun onderliggende relatie beschouwd, maar ook op het niveau van de persoon in
relatie tot zijn omgeving. Het is een biopsychosociaal model. Hierbij is grofweg belastbaarheid het
geen wat de patiënt qua belasting aankan. En belasting wat de patiënt qua belasting ervaart.
Het ontstaan van klachten kan worden beïnvloed vanuit de 4 invalshoeken:
Biomechanische Belasting (omgevingsgebonden factoren): Psychosociale Belasting (psychologische ervaringen):
Wat krijgt de patiënt voor arbeid te verduren in een week, welke Wat is de psychische druk die volgens de patiënt uit zijn/haar
activiteiten worden uitgevoerd en let daarbij op de duur, persoonlijke gevoelens en/of omgeving krijgt, denk hierbij aan;
intensiteit, frequentie: werk nodig?, stress, push van andere mensen etc.:
- de houding - werkdruk - gemoedstoestand (blij, boos, verdriet)
- de duur van de activiteit - conflicten - life-events (sterfgeval, verhuizing, scheiding)
- de zwaarte van de activiteit - stress - angst
Biomechanische Belastbaarheid (persoonsgebonden fact.): Psychosociale Belastbaarheid (psych. omgang ervaringen):
Wat kan de patiënt eigenlijk aan qua belasting, dit kun je als Wat geeft de patiënt aan te kunnen, hoe gaat de persoon om
fysiotherapeut ook uitvragen, tevens kun je als fysiotherapeut je met de belasting, is dit belemmerend of niet, etc. :
hypothese van de klacht toepassen: - coping - omgang met de ziekte/gezondheid
- ziekte - ziektegeschiedenis - ongevallen - attributiestijl - omgang met de stress/angst
- gewicht - erfelijke factoren - geslacht - locus of control - persoonseigenschappen
- lenigheid - conditie - kracht - cognities - emoties
- leeftijd - hulpmiddelen - nocisensoriek / pijngedrag (kan leiden tot chronische pijn)
Motivatie strategieën:
Motivatietheorie- 6 stappen model:
1. Open staan
o Geen continue gegeven
o Behoefte aan informatie is voorwaarde
o Emoties
2. Begrijpen
o Voorkennis & Sluit dit aan bij kennis en behoefte van patiënt
o Concentratie
o Via meerdere kanalen aanbieden, ondersteunende middelen
o Logische opbouw
o Presenteer een eenvoudige, heldere boodschap, metaforen
o Praat rustig & Betrek de patiënt bij informatie
o Ga na of de patiënt de informatie heeft begrepen
3. Willen
o Attitude (denkbeelden en verwachtingen)
o Voor en nadelen (korte/lange termijn)
o Sociale invloed (hoe steun vergaren)
o Eigen effectiviteit (patient succes laten ervaren)
o Negatieve gedachtes heretiketteren
4. Kunnen
o Handelingsvaardigheden
o Problemen of barrieres
Praktisch (ruimte, kosten, ontbreken hulpmiddelen)
Planning
In contact met anderen
5. Doen
o Concrete, haalbare doelen & Concrete afspraken maken
o Positieve feedback
o Expliciet vragen wat niet gelukt is
o Inpassen binnen ADL
6. Blijven doen
o Positieve feedback & Anticipeer op terugval & Follow-up afspraak