Vraag 1
De interpretatiemethode wordt toegepast door:
a. de centrale wetgever
b. de Tweede Kamer
c. de burger
d. de rechter
Vraag 2
Een ander woord voor jurisprudentie is:
a. gewoonterecht
b. rechtersrecht
c. verdragenrecht
d. uitspraak van de notaris
Vraag 3
Bij de hiërarchie van wetten is de volgende stelling onjuist:
a. Hogere regels gaan boven lagere regels
b. Een ministeriële regeling gaat boven een wet in formele zin
c. Wetten in formele zin gaan boven een gemeentelijke verordening
d. Verdragsbepalingen die self-executing zijn gaan boven de grondwet
Vraag 4
Welke stelling is juist?
a. Formeel recht gaat over geboden en verboden.
b. Materieel recht gaat over procesrecht.
c. Een ander woord voor procesrecht is formeel recht.
d. Bestuursprocesrecht en strafprocesrecht zijn voorbeelden van materieel recht.