Taak 1
Wat is schizofrenie en hoe is het beloop over de jaren?
Haan, L. de, & Kahn, R. (2009). Psychotische stoornissen: In Hengeveld, M.W. & van Balkom, A.J.L.M. (Red).
Leerboek psychiatrie.
Inleiding
Er zijn verschillende psychotische stoornissen. Vaak gekenmerkt door wanen, hallucinaties en gedesoriënteerd
gedrag. De stoornissen zijn
Syndromen
1. Schizofrenie
Symptomen ontwikkelen zich geleidelijk. Vaak als kind al een beetje ‘vreemd’ maar dit is niet genoeg om
stoornis al te herkennen. Kan ontstaan na religieuze openbaringen of traumatische gebeurtenissen. DSM-IV:
A. Een maand lang tenminste twee van de volgende symptomen:
a. Wanen: hoogst individueel denkbeeld, niet passend bij cultuur, waaraan met overtuiging wordt
vastgehouden ondanks dat het tegendeel bewezen is. Gevoel dat omgeving veranderd en privacy
wordt geschonden.
b. Hallucinaties: vooral akoestisch, maar ook tactiel of visueel. Reuk- en smaakhallucinaties zijn
uitzonderlijk. Vooral stemmen die opdrachten of kritiek geven.
c. Onsamenhangende spraak: ook wel formele denkstoornis genoemd. Door onsamenhangende
gedacht wordt de spraak beïnvloed. Te letterlijk nemen van woorden of nieuwe woorden
verzinnen.
d. Ernstig chaotisch of katatoon gedrag: stupor (compleet stil staan) of mutisme (niet meer praten),
hierbij zijn de ogen wel open. Ook motorisch negativisme (tegenovergestelde van wat gevraagd
wordt of katalepsie (ongewone motorisch houding). Herhaalde woorden (echolalie), bewegingen
(echopraxie) of mimiek (echomimie). Kan ook overmatige motorische activiteit.
e. Negatieve symptomen: het ontbreken van psychische functies die normaal wel aanwezig zijn. Bv.
Affectieve vervlakking, apathie, sociaal terugtrekken. Vaak langdurig aanwezig. Wanen,
hallucinaties, onsamenhangende spraak en chaotisch of katatoon is positieve symptomen.
B. Vanaf het begin van de stoornis is er voor het grootste deel van de tijd sprake van belangrijke
beperkingen in het functioneren op een of meer gebieden. En ligt het functioneren duidelijk onder het
niveau van voor het begin van de stoornis.
C. Duurt ten minste 6 maanden.
Op basis van de criteria worden 5 type schizofrenie onderscheiden (deze niet meer in DSM-V):
1. Paranoïde type: vooral wanen en hallucinaties.
2. Gedesorganiseerde type: onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en vlak.
3. Katatone type: motorisch onbeweeglijk, overmatige activiteit, extreem negativisme, mutisme,
willekeurige bewegingen, echolalie of echopraxie.
4. Ongedifferentieerde type: combinatie van enkele symptomen van voorgaande.
5. Resttype: er is sprake geweest van een psychotische fase, maar momenteel geen duidelijke symptomen.
2. Schizofreniforme stoornis
Lijkt op schizofrenie maar duurt vaak korter en als episode voorbij is vaak weer normaal gedrag. Bij 70% blijkt
uiteindelijk alsnog dat ze schizofrenie hebben. DSM:
A. Voldoet aan A van schizofrenie.
B. Episode duurt minstens een maand maar minder dan 6 maanden.
3. Schizoaffectieve stoornis
Zowel kenmerken van schizofrenie als stemmingsstoornis. Minimaal 2 weken last van wanen of hallucinaties en
een algemene depressieve stemming. Pas om met verschil met bipolaire stoornis.
A. Stemmingsepisode tegelijk met criteria A van schizofrenie.
B. Minimaal 2 weken van wanen of hallucinaties.
C. Stemmingsstoornis is belangrijk onderdeel van totale stoornis.
4. Waanstoornis
De waan op zich is niet abnormaal, het zou echt zo kunnen zijn. Geen negatieve symptomen, maar patiënten
accepteren ziektebeeld vaak niet.
A. Ten minste 1 maand niet bizarre wanen (vergiftigd worden, achtervolgd etc.).
B. Nooit voldaan aan criteria A van schizofrenie.
C. Functioneren is vaak nog redelijk goed (afhankelijk van de waan).
5. Gedeelde psychotische stoornis
Wanneer iemand in nauw contact is met een dominant persoon met wanen, kunnen deze wanen overgenomen
worden. Als het contact stopt, stoppen de wanen vaak ook direct.
, Diagnostiek
Vaak moeilijk in gesprek te komen. Observatie van de patiënt en de omgeving kan vaak hulp bieden bij
diagnose. In huis kunnen bepaalde voorwerpen aan worden getroffen (afluister materiaal) of kan het ook wat
rommelig en chaotisch uit zien. Wanneer een patiënt wel bereid is om in gesprek te gaan dan is een diagnose
stellen vaak niet moeilijk.
Differentiële diagnose
Kan vaak komen door een somatische aandoening of door middelengebruik.
- Somatische aandoeningen: epilepsie, infecties van het centrale zenuwstelsel, hormonale aandoeningen,
lever- en nierziekten.
- Middelengebruik: alcohol en drugs, medicatie, toxische stoffen. Maar ook bij onthouding van bijvoorbeeld
alcohol bij afkicken of benzodiazepines.
Epidemiologie
De incidentie (nieuwe gevallen per jaar) is 0.2 promille. De kans dat iemand in zijn leven schizofrenie krijgt is
1%. Meer bij mannen dan vrouwen, maar alles varieert per land. In de stad vaak een grotere incidentie. Bijna
40% komt door alcohol, 20% cannabis en 7% cocaïne.
Neurobiologische factoren
Kwetsbaarheid voornamelijk bepaald door genetische factoren in interactie met omgevingsfactoren.
Omgevingsfactoren vooral op de activatie en het beloop. Eerstegraads familielid betekent 5-10x meer kans. Door
cannabis wordt de kans 2x zo groot.
- Risicofactoren: plaats en tijdstip geboorte (winter/stad), infecties, ondervoeding, stress bij zwangerschap,
complicaties tijdens zwangerschap (resusfactor, hersenbeschadiging).
Psychologische factoren
Meer bij migranten, minderhedenpositie, gebrek aan vertrouwen en gevoeligheid voor impulsen/ indrukken.
Behandeling
Nog geen specifieke symptomen in de prodromale fase waaraan schizofrenie herkent zou kunnen worden. Wel
worden teruggetrokken jongeren met licht psychotische symptomen goed gevolgd ter voorkoming. Behandeling
vaak een combinatie van medicatie en psychiatrische behandeling. Gericht op symptoomreductie, maar ook
sociale interactie verbeteren. Het helpt heel erg om een gestructureerd leven te hebben, ook is familietherapie
belangrijk.
- Antipsychotica: vaak belangrijkste neurologische interventie (clozapine). Bij 70% verminderen de klachten.
Proberen de dosering zo laag mogelijk te houden in verband met bijwerkingen. Te weinig informatie over
welk antipsychoticum het beste is. Worden ook gebruikt voor het voorkomen van terugval. Bij het stoppen
van de medicatie is de kans op terugval namelijk erg groot. Bij atypische iets minder bijwerkingen.
- Anticholinergica: middelen die extrapiramidale bijwerkingen tegengaan. Door dit middel kunnen wel weer
somatische klachten optreden. Dus eerst kijken of de dosering van het antipsychoticum omlaag kan voordat
anticholinergica worden voorgeschreven.
Beloop
Positieve symptomen kunnen wel goed behandeld worden maar negatieve symptomen blijven vaak aanwezig.
Bij ongeveer 15% geneest het helemaal, maar bij de rest blijven de symptomen vaak bestaan. Factoren die
worden geassocieerd met een slecht beloop zijn: sluipend begin, afwezigheid uitlokkende factoren, begin op
jonge leeftijd, negatieve symptomen, afwezigheid depressieve symptomen en schizofrenie in de familie.
Os, J. van & Kapur, S. (2010). Psychose: van diagnose tot syndroom.
Inleiding
Psychoses zijn makkelijk te herkennen, maar toch is een diagnose voor psychotische ziekten stellen erg lastig.
Hiervoor worden dingen als duur van de wanen, ernst, depressieve symptomen etc. gebruikt. Uit de statistische
analyse van de symptomen van de verschillende psychotische stoornissen in de tabel kwamen de volgende 5
hoofdcategorieën van symptomen naar voren.
1. Psychose: wanen en hallucinaties – ook wel de positieve symptomen genoemd.
2. Motivationele beperkingen: gebrek aan motivatie, verminderen van spontane spraak en sociale
terugtrekking – ook wel de negatieve symptomen genoemd;
3. Neurocognitieve beperkingen: verminderd geheugen, aandacht en executieve functies – de cognitieve
symptomen.
4. Affectieve dysregulatie in de vorm van (d) depressieve en (e) manische of bipolaire symptomen.
Positieve en negatieve symptomen zijn vaak onafhankelijk van elkaar. Cognitieve achteruitgang is vaak al vanaf
het begin aanwezig en veranderd niet. Zie DSM voor onderscheid tussen schizofrenie, psychotische depressie of
bipolaire stoornis.
Wat is schizofrenie en hoe is het beloop over de jaren?
Haan, L. de, & Kahn, R. (2009). Psychotische stoornissen: In Hengeveld, M.W. & van Balkom, A.J.L.M. (Red).
Leerboek psychiatrie.
Inleiding
Er zijn verschillende psychotische stoornissen. Vaak gekenmerkt door wanen, hallucinaties en gedesoriënteerd
gedrag. De stoornissen zijn
Syndromen
1. Schizofrenie
Symptomen ontwikkelen zich geleidelijk. Vaak als kind al een beetje ‘vreemd’ maar dit is niet genoeg om
stoornis al te herkennen. Kan ontstaan na religieuze openbaringen of traumatische gebeurtenissen. DSM-IV:
A. Een maand lang tenminste twee van de volgende symptomen:
a. Wanen: hoogst individueel denkbeeld, niet passend bij cultuur, waaraan met overtuiging wordt
vastgehouden ondanks dat het tegendeel bewezen is. Gevoel dat omgeving veranderd en privacy
wordt geschonden.
b. Hallucinaties: vooral akoestisch, maar ook tactiel of visueel. Reuk- en smaakhallucinaties zijn
uitzonderlijk. Vooral stemmen die opdrachten of kritiek geven.
c. Onsamenhangende spraak: ook wel formele denkstoornis genoemd. Door onsamenhangende
gedacht wordt de spraak beïnvloed. Te letterlijk nemen van woorden of nieuwe woorden
verzinnen.
d. Ernstig chaotisch of katatoon gedrag: stupor (compleet stil staan) of mutisme (niet meer praten),
hierbij zijn de ogen wel open. Ook motorisch negativisme (tegenovergestelde van wat gevraagd
wordt of katalepsie (ongewone motorisch houding). Herhaalde woorden (echolalie), bewegingen
(echopraxie) of mimiek (echomimie). Kan ook overmatige motorische activiteit.
e. Negatieve symptomen: het ontbreken van psychische functies die normaal wel aanwezig zijn. Bv.
Affectieve vervlakking, apathie, sociaal terugtrekken. Vaak langdurig aanwezig. Wanen,
hallucinaties, onsamenhangende spraak en chaotisch of katatoon is positieve symptomen.
B. Vanaf het begin van de stoornis is er voor het grootste deel van de tijd sprake van belangrijke
beperkingen in het functioneren op een of meer gebieden. En ligt het functioneren duidelijk onder het
niveau van voor het begin van de stoornis.
C. Duurt ten minste 6 maanden.
Op basis van de criteria worden 5 type schizofrenie onderscheiden (deze niet meer in DSM-V):
1. Paranoïde type: vooral wanen en hallucinaties.
2. Gedesorganiseerde type: onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en vlak.
3. Katatone type: motorisch onbeweeglijk, overmatige activiteit, extreem negativisme, mutisme,
willekeurige bewegingen, echolalie of echopraxie.
4. Ongedifferentieerde type: combinatie van enkele symptomen van voorgaande.
5. Resttype: er is sprake geweest van een psychotische fase, maar momenteel geen duidelijke symptomen.
2. Schizofreniforme stoornis
Lijkt op schizofrenie maar duurt vaak korter en als episode voorbij is vaak weer normaal gedrag. Bij 70% blijkt
uiteindelijk alsnog dat ze schizofrenie hebben. DSM:
A. Voldoet aan A van schizofrenie.
B. Episode duurt minstens een maand maar minder dan 6 maanden.
3. Schizoaffectieve stoornis
Zowel kenmerken van schizofrenie als stemmingsstoornis. Minimaal 2 weken last van wanen of hallucinaties en
een algemene depressieve stemming. Pas om met verschil met bipolaire stoornis.
A. Stemmingsepisode tegelijk met criteria A van schizofrenie.
B. Minimaal 2 weken van wanen of hallucinaties.
C. Stemmingsstoornis is belangrijk onderdeel van totale stoornis.
4. Waanstoornis
De waan op zich is niet abnormaal, het zou echt zo kunnen zijn. Geen negatieve symptomen, maar patiënten
accepteren ziektebeeld vaak niet.
A. Ten minste 1 maand niet bizarre wanen (vergiftigd worden, achtervolgd etc.).
B. Nooit voldaan aan criteria A van schizofrenie.
C. Functioneren is vaak nog redelijk goed (afhankelijk van de waan).
5. Gedeelde psychotische stoornis
Wanneer iemand in nauw contact is met een dominant persoon met wanen, kunnen deze wanen overgenomen
worden. Als het contact stopt, stoppen de wanen vaak ook direct.
, Diagnostiek
Vaak moeilijk in gesprek te komen. Observatie van de patiënt en de omgeving kan vaak hulp bieden bij
diagnose. In huis kunnen bepaalde voorwerpen aan worden getroffen (afluister materiaal) of kan het ook wat
rommelig en chaotisch uit zien. Wanneer een patiënt wel bereid is om in gesprek te gaan dan is een diagnose
stellen vaak niet moeilijk.
Differentiële diagnose
Kan vaak komen door een somatische aandoening of door middelengebruik.
- Somatische aandoeningen: epilepsie, infecties van het centrale zenuwstelsel, hormonale aandoeningen,
lever- en nierziekten.
- Middelengebruik: alcohol en drugs, medicatie, toxische stoffen. Maar ook bij onthouding van bijvoorbeeld
alcohol bij afkicken of benzodiazepines.
Epidemiologie
De incidentie (nieuwe gevallen per jaar) is 0.2 promille. De kans dat iemand in zijn leven schizofrenie krijgt is
1%. Meer bij mannen dan vrouwen, maar alles varieert per land. In de stad vaak een grotere incidentie. Bijna
40% komt door alcohol, 20% cannabis en 7% cocaïne.
Neurobiologische factoren
Kwetsbaarheid voornamelijk bepaald door genetische factoren in interactie met omgevingsfactoren.
Omgevingsfactoren vooral op de activatie en het beloop. Eerstegraads familielid betekent 5-10x meer kans. Door
cannabis wordt de kans 2x zo groot.
- Risicofactoren: plaats en tijdstip geboorte (winter/stad), infecties, ondervoeding, stress bij zwangerschap,
complicaties tijdens zwangerschap (resusfactor, hersenbeschadiging).
Psychologische factoren
Meer bij migranten, minderhedenpositie, gebrek aan vertrouwen en gevoeligheid voor impulsen/ indrukken.
Behandeling
Nog geen specifieke symptomen in de prodromale fase waaraan schizofrenie herkent zou kunnen worden. Wel
worden teruggetrokken jongeren met licht psychotische symptomen goed gevolgd ter voorkoming. Behandeling
vaak een combinatie van medicatie en psychiatrische behandeling. Gericht op symptoomreductie, maar ook
sociale interactie verbeteren. Het helpt heel erg om een gestructureerd leven te hebben, ook is familietherapie
belangrijk.
- Antipsychotica: vaak belangrijkste neurologische interventie (clozapine). Bij 70% verminderen de klachten.
Proberen de dosering zo laag mogelijk te houden in verband met bijwerkingen. Te weinig informatie over
welk antipsychoticum het beste is. Worden ook gebruikt voor het voorkomen van terugval. Bij het stoppen
van de medicatie is de kans op terugval namelijk erg groot. Bij atypische iets minder bijwerkingen.
- Anticholinergica: middelen die extrapiramidale bijwerkingen tegengaan. Door dit middel kunnen wel weer
somatische klachten optreden. Dus eerst kijken of de dosering van het antipsychoticum omlaag kan voordat
anticholinergica worden voorgeschreven.
Beloop
Positieve symptomen kunnen wel goed behandeld worden maar negatieve symptomen blijven vaak aanwezig.
Bij ongeveer 15% geneest het helemaal, maar bij de rest blijven de symptomen vaak bestaan. Factoren die
worden geassocieerd met een slecht beloop zijn: sluipend begin, afwezigheid uitlokkende factoren, begin op
jonge leeftijd, negatieve symptomen, afwezigheid depressieve symptomen en schizofrenie in de familie.
Os, J. van & Kapur, S. (2010). Psychose: van diagnose tot syndroom.
Inleiding
Psychoses zijn makkelijk te herkennen, maar toch is een diagnose voor psychotische ziekten stellen erg lastig.
Hiervoor worden dingen als duur van de wanen, ernst, depressieve symptomen etc. gebruikt. Uit de statistische
analyse van de symptomen van de verschillende psychotische stoornissen in de tabel kwamen de volgende 5
hoofdcategorieën van symptomen naar voren.
1. Psychose: wanen en hallucinaties – ook wel de positieve symptomen genoemd.
2. Motivationele beperkingen: gebrek aan motivatie, verminderen van spontane spraak en sociale
terugtrekking – ook wel de negatieve symptomen genoemd;
3. Neurocognitieve beperkingen: verminderd geheugen, aandacht en executieve functies – de cognitieve
symptomen.
4. Affectieve dysregulatie in de vorm van (d) depressieve en (e) manische of bipolaire symptomen.
Positieve en negatieve symptomen zijn vaak onafhankelijk van elkaar. Cognitieve achteruitgang is vaak al vanaf
het begin aanwezig en veranderd niet. Zie DSM voor onderscheid tussen schizofrenie, psychotische depressie of
bipolaire stoornis.