Begrippenlijst Algemene Economie Tentamen 15-11
Hoofdstuk 1:
Bedrijfsomgeving – de externe omgeving van een onderneming die
invloed heeft op de resultaten van een onderneming
Economisch handelen – het streven naar maximale welvaart met behulp
van schaarse middelen
Eurogebied – gebied bestaande uit de landen die de euro als geldeenheid
gebruiken
Europese Unie (EU) – Europese landen die een economische unie vormen
Macro-economie – onderdeel van het van economie, waarin de
bestudering van de verbanden tussen geaggregeerde variabelen
vooropstaat
Schaarste – het keuzeprobleem van alternatief aanwendbare middelen
Hoofdstuk 2:
Bedrijfskolom – de opeenvolgende bedrijfstakken die een product
doorloopt van oerproducent tot eindgebruiker
Bedrijfstak – ondernemingen die gelijksoortige producten op een
gelijksoortige wijze produceren
Concurrentie – het proces van het beter willen zijn om de gunst van
afnemers
Economische orde – het geheel van collectieve waarden, normen en
instituties die het economisch handelen bepalen
Institutie – wet- en regelgeving en organisaties die het menselijk gedrag
regelen
Markt – het geheel van betrekkingen tussen vragers en aanbieders over
een bepaald product
Norm – richtlijn voor het gedrag
, Waarde – doelstellingen voor het gedrag
Waardesysteem – de toegevoegde waarde in de hele bedrijfskolom
Hoofstuk 3:
Basisbehoeften – behoeften die gericht zijn op het fysieke voortbestaan
Consumentenvoorkeuren – prioriteiten in het aankoopgedrag van
consumenten
Consumptiepatroon – de samenstelling van het consumptiepakket ter
bevrediging van de behoeften
Elastische vraag – prijselasticiteit van de vraag kleiner dan -1
Inelastische vraag – prijselasticiteit van de vraag tussen 0 en -1
Inferieure goederen – goederen met een negatieve inkomenselasticiteit
Inkomenseffect – de toename van de koopkracht van het inkomen door
een prijsdaling van producten
Inkomenselasticiteit van de vraag – de verandering van de vraag naar een
product als gevolg van en gedeeld door de verandering van het inkomen
Kruislingse elasticiteit – het verband tussen de afzet of omzet van een
product en de prijs van een ander product
Overige behoeften – behoeften die gericht zijn op veiligheid, sociale
relaties, waardering en zelfontplooiing
Prijselasticiteit van de vraag – de relatieve verandering van de vraag naar
een product gedeeld door en als gevolg van een relatieve verandering van
de prijs
Vraagfunctie – het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid
van een product
Hoofdstuk 4:
Aanbodcurve – verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid
Bedrijfsoptimum – productieomvang bij minimale gemiddelde kosten
Gemiddelde kosten – het quotiënt van totale kosten en productieomvang
2
Hoofdstuk 1:
Bedrijfsomgeving – de externe omgeving van een onderneming die
invloed heeft op de resultaten van een onderneming
Economisch handelen – het streven naar maximale welvaart met behulp
van schaarse middelen
Eurogebied – gebied bestaande uit de landen die de euro als geldeenheid
gebruiken
Europese Unie (EU) – Europese landen die een economische unie vormen
Macro-economie – onderdeel van het van economie, waarin de
bestudering van de verbanden tussen geaggregeerde variabelen
vooropstaat
Schaarste – het keuzeprobleem van alternatief aanwendbare middelen
Hoofdstuk 2:
Bedrijfskolom – de opeenvolgende bedrijfstakken die een product
doorloopt van oerproducent tot eindgebruiker
Bedrijfstak – ondernemingen die gelijksoortige producten op een
gelijksoortige wijze produceren
Concurrentie – het proces van het beter willen zijn om de gunst van
afnemers
Economische orde – het geheel van collectieve waarden, normen en
instituties die het economisch handelen bepalen
Institutie – wet- en regelgeving en organisaties die het menselijk gedrag
regelen
Markt – het geheel van betrekkingen tussen vragers en aanbieders over
een bepaald product
Norm – richtlijn voor het gedrag
, Waarde – doelstellingen voor het gedrag
Waardesysteem – de toegevoegde waarde in de hele bedrijfskolom
Hoofstuk 3:
Basisbehoeften – behoeften die gericht zijn op het fysieke voortbestaan
Consumentenvoorkeuren – prioriteiten in het aankoopgedrag van
consumenten
Consumptiepatroon – de samenstelling van het consumptiepakket ter
bevrediging van de behoeften
Elastische vraag – prijselasticiteit van de vraag kleiner dan -1
Inelastische vraag – prijselasticiteit van de vraag tussen 0 en -1
Inferieure goederen – goederen met een negatieve inkomenselasticiteit
Inkomenseffect – de toename van de koopkracht van het inkomen door
een prijsdaling van producten
Inkomenselasticiteit van de vraag – de verandering van de vraag naar een
product als gevolg van en gedeeld door de verandering van het inkomen
Kruislingse elasticiteit – het verband tussen de afzet of omzet van een
product en de prijs van een ander product
Overige behoeften – behoeften die gericht zijn op veiligheid, sociale
relaties, waardering en zelfontplooiing
Prijselasticiteit van de vraag – de relatieve verandering van de vraag naar
een product gedeeld door en als gevolg van een relatieve verandering van
de prijs
Vraagfunctie – het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid
van een product
Hoofdstuk 4:
Aanbodcurve – verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid
Bedrijfsoptimum – productieomvang bij minimale gemiddelde kosten
Gemiddelde kosten – het quotiënt van totale kosten en productieomvang
2