Hoofdstuk 3
Huid (cutis): opperhuid (epidermis) en onderliggende lederhuid (dermis).
Dekweefsel = epitheel
Sereuze membranen bekleden gesloten lichaamsholten. Vb. buikvlies, hartzakje en
borstvlies. Bestaan uit 2 vliezen van enkellaags plaveiseldekweefsel die op dunne laag
elastisch bindweefsel zitten. Ene vlies bedekt orgaan, andere de holte waar het orgaan zit. Zit
geen lucht tussen maar klein beetje heldere vloeistof -> heeft smerende werking.
Synoviale membranen bekleden zijkanten van gewrichtsspleten, slijmbeurzen en
peesscheden. Scheiden smerende vloeistof (synovia) af. Daardoor bewegende delen zonder
schade langs elkaar. Zoals gewrichtsuiteinden van kraakbeen.
Huid zorgt voor:
- Regulatie van lichaamstemperatuur
Lichaam afkoelen zweten en verwijding van haarvaten in huid
Lichaam opwarmen vernauwing van bloedvaatjes in huid
- Waarnemen van prikkels
Aanraking, pijn, warmte en kou
- Aanmaak van vitamine D
Onder invloed van zonlicht. Lever en nieren zetten om in actieve vorm van vitamine D
Blaar = opgehoopt weefselvocht in de holte tussen de lagen opperhuid en lederhuid
onderhuids bindweefsel is de andere laag, bestaat vooral uit vetweefsel.
Blauwe plekken (hematoom) = teken van onderhuidse bloeding.
3 pigmenten (kleurstoffen): melanine, caroteen en hemoblogine
Klieren in huid: talgklieren -> overal, behalve op handpalmen en voetzolen. Afvoerkanalen
monden uit in haarzakje of direct in huidoppervlak. Maken talg -> soepele huid en
gehydrateerd, voorkomen dat haar broos wordt, bacteriedodende stoffen. Zweetklieren ->
Exocriene -> maken zweet aan, liggen verspreid over hele huid
Apocriene -> vooral onder oksels en in schaamstreek, in puberteit actief, geurloos zweet,
door bacteriën wel geur, geen rol bij regulatie van lichaamstemperatuur
Zweet = water en zouten (en melkzuur, ureum en urinezuur)
Haarzakjes zitten in lederhuid. Krijgt voedingsstoffen via haarpapil (onder in het haarzakje).
Doorboven zit de haarmatrix = groeizone waarin het dekweefsel dat haar vormt zich snel
deelt. Daar bevinden zich ook melanocyten -> zorgen voor haarkleur.
Haarschacht -> bestaat uit centrale kern (medulla), omgeven door omhulsel (schors) van
laagjes afgeplatte cellen. Buitenkant (cuticula) is enkele laag cellen, bevatten veel keratine ->
zorgt voor stevigheid van het haar.
Huid (cutis): opperhuid (epidermis) en onderliggende lederhuid (dermis).
Dekweefsel = epitheel
Sereuze membranen bekleden gesloten lichaamsholten. Vb. buikvlies, hartzakje en
borstvlies. Bestaan uit 2 vliezen van enkellaags plaveiseldekweefsel die op dunne laag
elastisch bindweefsel zitten. Ene vlies bedekt orgaan, andere de holte waar het orgaan zit. Zit
geen lucht tussen maar klein beetje heldere vloeistof -> heeft smerende werking.
Synoviale membranen bekleden zijkanten van gewrichtsspleten, slijmbeurzen en
peesscheden. Scheiden smerende vloeistof (synovia) af. Daardoor bewegende delen zonder
schade langs elkaar. Zoals gewrichtsuiteinden van kraakbeen.
Huid zorgt voor:
- Regulatie van lichaamstemperatuur
Lichaam afkoelen zweten en verwijding van haarvaten in huid
Lichaam opwarmen vernauwing van bloedvaatjes in huid
- Waarnemen van prikkels
Aanraking, pijn, warmte en kou
- Aanmaak van vitamine D
Onder invloed van zonlicht. Lever en nieren zetten om in actieve vorm van vitamine D
Blaar = opgehoopt weefselvocht in de holte tussen de lagen opperhuid en lederhuid
onderhuids bindweefsel is de andere laag, bestaat vooral uit vetweefsel.
Blauwe plekken (hematoom) = teken van onderhuidse bloeding.
3 pigmenten (kleurstoffen): melanine, caroteen en hemoblogine
Klieren in huid: talgklieren -> overal, behalve op handpalmen en voetzolen. Afvoerkanalen
monden uit in haarzakje of direct in huidoppervlak. Maken talg -> soepele huid en
gehydrateerd, voorkomen dat haar broos wordt, bacteriedodende stoffen. Zweetklieren ->
Exocriene -> maken zweet aan, liggen verspreid over hele huid
Apocriene -> vooral onder oksels en in schaamstreek, in puberteit actief, geurloos zweet,
door bacteriën wel geur, geen rol bij regulatie van lichaamstemperatuur
Zweet = water en zouten (en melkzuur, ureum en urinezuur)
Haarzakjes zitten in lederhuid. Krijgt voedingsstoffen via haarpapil (onder in het haarzakje).
Doorboven zit de haarmatrix = groeizone waarin het dekweefsel dat haar vormt zich snel
deelt. Daar bevinden zich ook melanocyten -> zorgen voor haarkleur.
Haarschacht -> bestaat uit centrale kern (medulla), omgeven door omhulsel (schors) van
laagjes afgeplatte cellen. Buitenkant (cuticula) is enkele laag cellen, bevatten veel keratine ->
zorgt voor stevigheid van het haar.