Samenvatting leren en veranderen
Hoorcollege 1
Leren is betekenisgeving
En leidt tot een bril waarmee je de werkelijkheid ziet, wordt weergegeven in een referentiekader,
dit hoeft niet waar te zijn, deze wordt voortdurend bijgesteld door leerervaringen.
Wat is een leertheorie?
• ‘Een leertheorie is het geheel van betekenisconstructies, dat langs een bepaalde weg en met
bepaalde intenties tot stand is gekomen’
• Elke theorie heeft zijn eigen invalshoek, aspecten en doel.
Je kijkt afhankelijk van het doel naar andere dingen. Een automonteur kijkt anders naar een auto dan
een consument die de auto wilt kopen.
1. Constructivisme Hoofd-theorie
2. Gedragstheorie hoofd-theorie
3. Cognitieve leertheorie hoofd-theorie
4. Cultuurhistorische en sociaal-culturele benadering van leren bij-theorie
5. Het symbolisch interactionisme over socialisatie bij-theorie
6. Humanistische en positieve psychologie bij-theorie
7. Ervaringsleren bij-theorie
8. De nieuwe gedragswetenschappen bij-theorie
Het constructivisme
‘Leren is het construeren van betekenis’
Hoe geven wij betekenis aan dingen?
• Dit gebeurt door het combineren van nieuwe informatie met het oude referentiekader
• Een referentiekader ontstaat door de combinatie van aanleg en wat mensen ‘tegenkomen’.
• Ieder creëert daardoor een eigen kijk op de wereld
• Maar we leven samen
• We delen betekenissen door middel van interactie
• Leren heeft daarmee altijd een culturele component
• De mens verklaart op basis van wat er al is
De lerende persoon
• Leren speelt zich af in de interactie tussen het individu en de omgeving
• Het interacties met de omgeving vormen een proces: de persoonlijke leergeschiedenis
• In dat proces is er sprake van een wisselwerking tussen
– individu (met aanleg voor dingen)
– situaties en gebeurtenissen
– de historische sociaal-culturele omgeving, wij NL kijken anders naar dingen dan Azië
• Het individu is een actieve partij, geen passief ontvangende!
• Maar het individu is niet altijd bewust daarvan, dat is echt wat anders!
• De combinatie van individu en leergeschiedenis is voor iedereen anders.
• Ieder heeft dus een eigen referentiekader: een kijk op de dingen
• Maar het komt ook ten dele overeen met anderen, omdat wij samenleven en dingen delen
• De waarneming, de handelingen en ook elk volgend leren worden gebaseerd op het eerder
geleerde, het reeds gevormde referentiekader
• Mensen zijn fysieke wezens en leven in een fysieke omgeving. Leren geeft betekenis aan alle
lichamelijke ervaringen
,De aard van het leerproces en het leerresultaat
• Wat geleerd wordt is een interpretatie van de lerende persoon, een constructie, en geen objectieve
afspiegeling van een externe werkelijkheid
• Leerprocessen bestaan uit leeractiviteiten als
– Direct ervaring
– Het eigen handelen
– De sociale interactie
– Het verwerken van theorie
– Het reflecteren
– Het bedenken van nieuwe dingen
• Leerprocessen hebben een emotionele basis, ze geven aanleiding tot gedrag waarvan wordt
geleerd. De ene persoon kijkt anders naar een motor dan een persoon die motor fan is.
• Emotie, gedrag en denken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het leerresultaat
– De emotionele kant (vinden, waarderen, houding/attitude)
– De handelingsmogelijkheid (kunnen, in staat zijn om)
– De cognitieve kant (het weten)
• Het geheel van het geleerde is geen systematisch, geordend, logisch sluitend of volledig geheel.
Kennis stapelt zich niet. Rafelig
• Niet per-sé positief
• Het geleerde functioneert onopgemerkt
• Leerresultaten zijn altijd het uitgangspunt voor volgende leerprocessen
Constructivistische principes
– Ieder mens heeft een eigen kijk op dingen
– Ervaring stuurt sterk, emotie ook
– De ontvanger van informatie is een actieve partij
– Activering (bezig zijn met begrippen) werkt sterk verhelderend
– Door interactie wordt betekenissen gedeeld
Het behaviorisme
‘Leren is waarneembaar gedrag’
Alleen de buitenkant telt!
• Leren kun je alleen baseren op waarneembaar gedrag.
• Over wat niet waarneembaar is, valt alleen te speculeren
• Sluit aan bij eisen van de wetenschap: het is pas wetenschap als het ook door een ander gedaan
kan worden en dezelfde resultaten oplevert.
• Daarom veel dierenonderzoek!
Als je mensen/dieren beloond dan kan je ze alles laten doen.
Vier grondleggers
• Pavlov
• Watson
• Thorndike
• Skinner
Pavlov
• Klassiek conditioneren: onder een bepaalde conditie treedt automatisch gedrag op: de
geconditioneerde reflex of Pavlovreactie.
• Gedrag wordt gevormd als reactie op een prikkel
,• De volgende termen zijn belangrijk:
– Reïnforcement (versterking, bekrachtiging)
– Extinctie (uitdoving)
– Generalisatie (andere vergelijkbare prikkels werken ook)
– Discriminatie (alleen bij die ene prikkel)
– Willekeur (geen relatie tussen prikkel en gevolg)
– Aangeleerde hulpeloosheid
Watson
• Een persoon is een verzameling geconditioneerde reflexen, we komen iets tegen en we reageren
daarop.
• Angst, woede en liefde zijn aangeboren emoties die door conditionering aan allerlei, voor iedereen
andere stimuli (prikkels) worden gekoppeld
• Deze zijn aan- en af te leren
Thorndike
• Dieren leren door trial and error, vallen en weer opstaan: steeds opnieuw proberen, missen en
weer een nieuwe poging wagen
• Hierdoor wordt een stimulus-responsverbinding tot stand gebracht, of verzwakt
• Dit is een geleidelijk proces
• Drie wetten
– De wet van de bereidheid (hongerig dier reageert op voedsel, een verzadigd dier niet)
– De wet van de herhaling (oefening baart kunst, herhaling versterkt)
– De wet van het effect (een beloning verstrekt het gedrag)
• Gedrag dat wordt bestraft wordt niet afgeleerd, hooguit tijdelijk onderdrukt, mensen hebben toch
die drive om het te gaan doen, alleen wordt het tijdelijk onderdrukt. Hij doet het wel op een ander
moment.
Thorndike: belonen werkt beter dan straffen
• Een kind pakt ongevraagd snoep, dat gedrag wordt bestraft met een reprimande
• Wat leert het kind: Dan moet je het dus pakken als mama niet kijkt!
• Een kind pakt geen snoep, dat gedrag wordt beloond met een snoepje
• Wat leert het kind: Ik moet dus aantonen dat ik braaf kan zijn
Skinner: ging hierop door
• Waarom straffen wij dan?
– Het werkt belonend voor diegene die straft
– En verstrekt op deze wijze het straffen als reactie op ongewenst gedrag
• Wat moeten we dan?
– Negeren van ongewenst gedrag (uitdoving)
– Afleiden (het uitnodigen en belonen van gedrag dat niet tegelijk kan worden uitgeoefend)
• Wordt dit toegepast
– Ja, bijvoorbeeld in lessen: de ‘geprogrammeerde instructie’
Skinner
• Gedrag als reactie op een prikkel
= Klassiek conditioneren,
• Gedrag als reactie op een beloning
• Gedrag als reactie op een straf
= Operant conditioneren
, Invloed van de gedragstheorie
• Skinner:
– ‘De omgeving bepaalt wat er wordt geleerd en niet een of andere innerlijke instantie’
– ‘We zijn datgene waarvoor we toevallig beloond werden om het te zijn’
– ‘Cultuur is niet anders dan een geheel van belonende omstandigheden’
• Leren van individuen kan worden gestuurd door manipulatie van de omgeving, gedrag kan je sturen
Behavioristische leerprincipes
• Leren is gedragsverandering
– Prikkels sturen automatisch gedrag
– Mensen leren door middel van belonen (en straffen)
– Herhaling van prikkels werkt
– Het scherp definiëren van gewenst gedrag helpt, omschrijf welk gedrag je wilt hebben
Cognitieve leertheorie
‘Leren is informatieverwerking’
Nadruk op mentale processen
• Mens is geen mechanisch wezen dat op prikkels reageert; maar een verwerker van informatie
• Processen die centraal staan:
– Opslaan
– Terugvinden
– Gebruiken van informatie
• Wat wordt geleerd wordt opgeslagen in het hoofd als een ‘mentale representatie’
• Die komen tot stand in wisselwerking tussen de omgeving en de persoon
• Het individu is actief (ordent en selecteert)
• Een set van mentale representaties noemen we ‘cognitieve systemen’ of ‘cognitieve structuren’
• Deze sturen de verwerking van nieuwe informatie
Twee grondleggers
• Piaget
• Bandura
Piaget, ontwikkeling van cognitieve systemen van mensen
• Vier fasen in de cognitieve ontwikkeling van kinderen
• Loopt tot ongeveer 15 jaar
• Een organisme streeft naar harmonie met zijn omgeving
• Als het schema voldoet, kan het organisme functioneren
= Assimileren, er komt nieuwe informatie binnen en het klopt bij wat we al weten
• Als het schema niet voldoet, moet het schema worden aangepast
= Accommoderen, wanneer je beeld niet klopt bij wat je waarneemt, je moet je beeld bijstellen
• Als het denken loskomt van de fysieke ervaring heet dat ‘interiorisatie’
Bandura
• De bron van informatie is sociaal
• Bandura bestudeert het leren door observatie, waarvan leren mensen? ofwel Model-leren
– Mensen, afbeeldingen, films, radio, kranten, televisie, games
Mensen hebben spiegelhormonen, we doen andere mensen na, zoals onze ouders.
• Veel studies naar agressief gedrag
• Agressief gedrag wordt
Hoorcollege 1
Leren is betekenisgeving
En leidt tot een bril waarmee je de werkelijkheid ziet, wordt weergegeven in een referentiekader,
dit hoeft niet waar te zijn, deze wordt voortdurend bijgesteld door leerervaringen.
Wat is een leertheorie?
• ‘Een leertheorie is het geheel van betekenisconstructies, dat langs een bepaalde weg en met
bepaalde intenties tot stand is gekomen’
• Elke theorie heeft zijn eigen invalshoek, aspecten en doel.
Je kijkt afhankelijk van het doel naar andere dingen. Een automonteur kijkt anders naar een auto dan
een consument die de auto wilt kopen.
1. Constructivisme Hoofd-theorie
2. Gedragstheorie hoofd-theorie
3. Cognitieve leertheorie hoofd-theorie
4. Cultuurhistorische en sociaal-culturele benadering van leren bij-theorie
5. Het symbolisch interactionisme over socialisatie bij-theorie
6. Humanistische en positieve psychologie bij-theorie
7. Ervaringsleren bij-theorie
8. De nieuwe gedragswetenschappen bij-theorie
Het constructivisme
‘Leren is het construeren van betekenis’
Hoe geven wij betekenis aan dingen?
• Dit gebeurt door het combineren van nieuwe informatie met het oude referentiekader
• Een referentiekader ontstaat door de combinatie van aanleg en wat mensen ‘tegenkomen’.
• Ieder creëert daardoor een eigen kijk op de wereld
• Maar we leven samen
• We delen betekenissen door middel van interactie
• Leren heeft daarmee altijd een culturele component
• De mens verklaart op basis van wat er al is
De lerende persoon
• Leren speelt zich af in de interactie tussen het individu en de omgeving
• Het interacties met de omgeving vormen een proces: de persoonlijke leergeschiedenis
• In dat proces is er sprake van een wisselwerking tussen
– individu (met aanleg voor dingen)
– situaties en gebeurtenissen
– de historische sociaal-culturele omgeving, wij NL kijken anders naar dingen dan Azië
• Het individu is een actieve partij, geen passief ontvangende!
• Maar het individu is niet altijd bewust daarvan, dat is echt wat anders!
• De combinatie van individu en leergeschiedenis is voor iedereen anders.
• Ieder heeft dus een eigen referentiekader: een kijk op de dingen
• Maar het komt ook ten dele overeen met anderen, omdat wij samenleven en dingen delen
• De waarneming, de handelingen en ook elk volgend leren worden gebaseerd op het eerder
geleerde, het reeds gevormde referentiekader
• Mensen zijn fysieke wezens en leven in een fysieke omgeving. Leren geeft betekenis aan alle
lichamelijke ervaringen
,De aard van het leerproces en het leerresultaat
• Wat geleerd wordt is een interpretatie van de lerende persoon, een constructie, en geen objectieve
afspiegeling van een externe werkelijkheid
• Leerprocessen bestaan uit leeractiviteiten als
– Direct ervaring
– Het eigen handelen
– De sociale interactie
– Het verwerken van theorie
– Het reflecteren
– Het bedenken van nieuwe dingen
• Leerprocessen hebben een emotionele basis, ze geven aanleiding tot gedrag waarvan wordt
geleerd. De ene persoon kijkt anders naar een motor dan een persoon die motor fan is.
• Emotie, gedrag en denken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het leerresultaat
– De emotionele kant (vinden, waarderen, houding/attitude)
– De handelingsmogelijkheid (kunnen, in staat zijn om)
– De cognitieve kant (het weten)
• Het geheel van het geleerde is geen systematisch, geordend, logisch sluitend of volledig geheel.
Kennis stapelt zich niet. Rafelig
• Niet per-sé positief
• Het geleerde functioneert onopgemerkt
• Leerresultaten zijn altijd het uitgangspunt voor volgende leerprocessen
Constructivistische principes
– Ieder mens heeft een eigen kijk op dingen
– Ervaring stuurt sterk, emotie ook
– De ontvanger van informatie is een actieve partij
– Activering (bezig zijn met begrippen) werkt sterk verhelderend
– Door interactie wordt betekenissen gedeeld
Het behaviorisme
‘Leren is waarneembaar gedrag’
Alleen de buitenkant telt!
• Leren kun je alleen baseren op waarneembaar gedrag.
• Over wat niet waarneembaar is, valt alleen te speculeren
• Sluit aan bij eisen van de wetenschap: het is pas wetenschap als het ook door een ander gedaan
kan worden en dezelfde resultaten oplevert.
• Daarom veel dierenonderzoek!
Als je mensen/dieren beloond dan kan je ze alles laten doen.
Vier grondleggers
• Pavlov
• Watson
• Thorndike
• Skinner
Pavlov
• Klassiek conditioneren: onder een bepaalde conditie treedt automatisch gedrag op: de
geconditioneerde reflex of Pavlovreactie.
• Gedrag wordt gevormd als reactie op een prikkel
,• De volgende termen zijn belangrijk:
– Reïnforcement (versterking, bekrachtiging)
– Extinctie (uitdoving)
– Generalisatie (andere vergelijkbare prikkels werken ook)
– Discriminatie (alleen bij die ene prikkel)
– Willekeur (geen relatie tussen prikkel en gevolg)
– Aangeleerde hulpeloosheid
Watson
• Een persoon is een verzameling geconditioneerde reflexen, we komen iets tegen en we reageren
daarop.
• Angst, woede en liefde zijn aangeboren emoties die door conditionering aan allerlei, voor iedereen
andere stimuli (prikkels) worden gekoppeld
• Deze zijn aan- en af te leren
Thorndike
• Dieren leren door trial and error, vallen en weer opstaan: steeds opnieuw proberen, missen en
weer een nieuwe poging wagen
• Hierdoor wordt een stimulus-responsverbinding tot stand gebracht, of verzwakt
• Dit is een geleidelijk proces
• Drie wetten
– De wet van de bereidheid (hongerig dier reageert op voedsel, een verzadigd dier niet)
– De wet van de herhaling (oefening baart kunst, herhaling versterkt)
– De wet van het effect (een beloning verstrekt het gedrag)
• Gedrag dat wordt bestraft wordt niet afgeleerd, hooguit tijdelijk onderdrukt, mensen hebben toch
die drive om het te gaan doen, alleen wordt het tijdelijk onderdrukt. Hij doet het wel op een ander
moment.
Thorndike: belonen werkt beter dan straffen
• Een kind pakt ongevraagd snoep, dat gedrag wordt bestraft met een reprimande
• Wat leert het kind: Dan moet je het dus pakken als mama niet kijkt!
• Een kind pakt geen snoep, dat gedrag wordt beloond met een snoepje
• Wat leert het kind: Ik moet dus aantonen dat ik braaf kan zijn
Skinner: ging hierop door
• Waarom straffen wij dan?
– Het werkt belonend voor diegene die straft
– En verstrekt op deze wijze het straffen als reactie op ongewenst gedrag
• Wat moeten we dan?
– Negeren van ongewenst gedrag (uitdoving)
– Afleiden (het uitnodigen en belonen van gedrag dat niet tegelijk kan worden uitgeoefend)
• Wordt dit toegepast
– Ja, bijvoorbeeld in lessen: de ‘geprogrammeerde instructie’
Skinner
• Gedrag als reactie op een prikkel
= Klassiek conditioneren,
• Gedrag als reactie op een beloning
• Gedrag als reactie op een straf
= Operant conditioneren
, Invloed van de gedragstheorie
• Skinner:
– ‘De omgeving bepaalt wat er wordt geleerd en niet een of andere innerlijke instantie’
– ‘We zijn datgene waarvoor we toevallig beloond werden om het te zijn’
– ‘Cultuur is niet anders dan een geheel van belonende omstandigheden’
• Leren van individuen kan worden gestuurd door manipulatie van de omgeving, gedrag kan je sturen
Behavioristische leerprincipes
• Leren is gedragsverandering
– Prikkels sturen automatisch gedrag
– Mensen leren door middel van belonen (en straffen)
– Herhaling van prikkels werkt
– Het scherp definiëren van gewenst gedrag helpt, omschrijf welk gedrag je wilt hebben
Cognitieve leertheorie
‘Leren is informatieverwerking’
Nadruk op mentale processen
• Mens is geen mechanisch wezen dat op prikkels reageert; maar een verwerker van informatie
• Processen die centraal staan:
– Opslaan
– Terugvinden
– Gebruiken van informatie
• Wat wordt geleerd wordt opgeslagen in het hoofd als een ‘mentale representatie’
• Die komen tot stand in wisselwerking tussen de omgeving en de persoon
• Het individu is actief (ordent en selecteert)
• Een set van mentale representaties noemen we ‘cognitieve systemen’ of ‘cognitieve structuren’
• Deze sturen de verwerking van nieuwe informatie
Twee grondleggers
• Piaget
• Bandura
Piaget, ontwikkeling van cognitieve systemen van mensen
• Vier fasen in de cognitieve ontwikkeling van kinderen
• Loopt tot ongeveer 15 jaar
• Een organisme streeft naar harmonie met zijn omgeving
• Als het schema voldoet, kan het organisme functioneren
= Assimileren, er komt nieuwe informatie binnen en het klopt bij wat we al weten
• Als het schema niet voldoet, moet het schema worden aangepast
= Accommoderen, wanneer je beeld niet klopt bij wat je waarneemt, je moet je beeld bijstellen
• Als het denken loskomt van de fysieke ervaring heet dat ‘interiorisatie’
Bandura
• De bron van informatie is sociaal
• Bandura bestudeert het leren door observatie, waarvan leren mensen? ofwel Model-leren
– Mensen, afbeeldingen, films, radio, kranten, televisie, games
Mensen hebben spiegelhormonen, we doen andere mensen na, zoals onze ouders.
• Veel studies naar agressief gedrag
• Agressief gedrag wordt