b37d-4439-86a2-17c07078c232@redis&vid=0&format=EB
Algemene economie samenvatting
Week 1
Economische wetenschap = bestudeert economisch handelen van mensen, organisaties en landen.
Veronderstelling economische wetenschap:
- Mens heeft oneindige behoeften
- Middelen zijn beperkt en alternatief aanwendbaar (schaars)
- Welvaart is mate waarin mensen kunnen beschikken over goederen en diensten voor
bevrediging van behoeften
Schaarste = gegeven dat door beperkte aanwezige productiemiddelen niet voldoende kunnen
produceren om iedereen al zijn behoeften te voorzien. Dwingt mensen tot keuzes te maken om een
zo hoog mogelijke welvaart te bereiken.
Welvaart= mate waarin men beschikt over goederen en diensten voor bevrediging van behoeften.
Economisch handelen = maken van keuzes om schaarse middelen maximale welvaart te bereiken.
Deelgebieden van algemene economie:
- Micro- economie -> economisch gedrag van consumenten en producenten op markten
- Meso- economie -> economisch gedrag van bedrijfstakken
- Macro- economie -> werking van economie als geheel
- Monetaire economie -> geld, geldschepping en banken
- Internationale economische betrekkingen -> handel, kapitaalstromen en monetaire
betrekkingen tussen landen.
Directe bedrijfsomgeving -> markten voor inkoop grondstoffen, kapitaal, arbeid vormen samen met
markt waarop onderneming haar producten aanbied. Afhankelijk van bedrijfsgrootte en marktvorm
kan invloed van onderneming op deze markten variëren van nihil tot groot.
Indirecte bedrijfsomgeving -> publieke opinie, social media, wetgeving
Macro bedrijfsomgeving -> conjunctuur, wisselkoersen, loonkosten, rente, energieprijzen.
Productie wordt gemeten door toegevoegde waarde.
Toegevoegde waarde van bedrijven:
, - Bruto toegevoegde waarde = output – input
De toegevoegde waarde (BTW) is dus waardesurplus van output t.o.v. input.
- Output (opbrengst verkopen, marktprijs) = productiewaarde
Output = omzet+ voorraadmutatie (on)voltooid eindproduct+ geactiveerde productie
Hiervoor wordt verkoopopbrengst gebruikt
- Input (inkopen) = verbruik = intermediair verbruik
Productie verbruikte en andere bedrijven geleverde goederen zoals halffabricaten, verleende
diensten (uitbesteedde diensten)
Bruto toegevoegde waarde = verkoopopbrengst – kostprijs ingekochte goederen/ diensten
Netto toegevoegde waarde (NTW)= bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen
Overheid produceert collectieve goederen:
- Non exclusief -> staan automatisch aan iedereen ter beschikking (niemand uitsluitbaar).
Veiligheid, straatverlichting etc.
- Geen marktprijs mogelijk, want mensen die niet betalen profiteren mee (freerider probleem)
- Toch toegevoegde waarde bepalen geldt bij overheid de uitspraak: productie (NTWfk)= lonen
Maatstaven productie:
- BBP -> bruto binnelands product -> bruto toegevoegde waarde van alle productie (inc.
Afschrijvingen) die plaatsvindt binnen landsgrenzen. Bruto toegevoegde waarde van
overheid worden ambtenarensalarissen + afschrijvingen van overheid meegenomen.
- BNI -> bruto nationaal inkomen -> totaal van alle vergoedingen voor productiefactoren die in
bezit zijn van burgers van land, dus ook als vergoeding wordt ontvangen in buitenland.
Methodes om BBP te bepalen:
1. Productiebenadering (objectieve methode) -> som van bruto toegevoegde waarde bedrijven
en overheid
2. Inkomensbenadering (subjectieve methode) -> som van inkomens van bevolking (loon, huur,
pacht, rente, winst) + afschrijvingen
3. Bestedingsbenadering (NIET behandelen)-> som van consumptie, investeringen
(vervangingsinvesteringen), overheidsbestedingen en export – import.
BBP tegen factorkosten = zonder prijsverhogende belasting en prijs verlagende subsidies
BBP tegen marktprijzen = inclusief kostprijsverhogende belasting en prijs verlagende subsidies.
, Welvaart in enge zin -> bepaalt door mate waarin individu beschikt over goederen/ diensten om in
zijn materiele behoeften te voorzien. Behoeftebevrediging met koopkracht (reële inkomen), vaak
uitgedrukt in BBP per hoofd van bevolking. Hoe hoger productie, hoe hoger welvaart enge zin.
Welvaart ruime zin -> mate van behoeftebevrediging middels goederen en diensten maar ook andere
schaarse middelen. Moeilijk te meten door economen, bijv hoeveelheid vrije tijd/ gezond milieu.
Welzijn -> hoeverre iemand in al zijn behoeften voorzien; ook behoeften die niets te maken hebben
met schaarse middelen. Heel subjectief en moeilijk meetbaar waardoor traditionele economische
wetenschap zich hier niet mee bezig houdt bij behoefte aan liefde/ geluksgevoel.
Alleen welvaart mag je uitgaan van welvaart in enge zin.
Meer welvaart = toename koopkracht, stijging reële BBP.
17 SDG’s veel belangrijker voor bevolking en overheid, dus druk op organisaties
Externe effecten -> bijkomende gevolgen van productie (consumptie) op anderen die niet in prijs van
product zijn doorberekend. Deze prijs is hierdoor geen goede weerspiegeling van totale kosten van
productie/ consumptie van deze producten.
Externe effecten productie:
- Negatieve externe effecten:
Vervuiling water bij productie kleding of zwerfvuil.
Kunnen aanzet geven tot overheidsingrijpen -> accijns
Verlagen welvaart in ruime zin en kunnen leiden tot maatschappelijke kosten
- Positieve externe effecten:
Minder luchtvervuiling door gebruik zonnepanelen of minder ziekteverzuim door fitness
Aanzet geven tot overheidsingrijpen -> subsidies
Alternatieve welvaartsmaatstaven, naast BBP ook;
- Human Development Index (HDI) -> kijkt naar BBP per capita ook naar zaken zoals
levensverwachting bij geboorte en onderwijsdeelname
- Groen BBP (duurzaam nationaal inkomen) -> waarde BBP gecorrigeerd voor positieve/
negatieve externe effecten van productie/ consumptie voor milieu.
- Bruto nationaal geluk -> maatstaf kijkt NIET naar bevrediging van materiele behoeften maar
naar -> 1. Bevordering eerlijke duurzame sociaaleconomische ontwikkeling 2. Behoud +
bevordering culturele waarden 3. Behoud van natuurlijke milieu 4. Goed bestuur van
ondernemingen
Hoe wordt productie en welvaart van landen vergeleken?
Landen verschillen in grootte. Duitsland produceert meer dan Zwitserland, maar Duitse werknemers
zijn daardoor niet automatisch productiever.
Als 1e BBP per hoofd van bevolking bepalen. Dan als 2e BBP per hoofd omzetten naar een
munteenheid. Rekening houden met verschillende prijsniveaus in landen. Om zoiets te vergelijken is
de ‘Big mac -index’ bedacht, aangezien hierbij alles hetzelfde is in elk land.
Rekenen met alternatieve gegevens;