Hoorcollege 1
rganisaties
O
Bestaan uit input van materialen en bronnen die in een organisatie komen, hierbinnen is eenformeel
subsysteem(strategie, doelen en structuur) eninformeelsubsysteem(cultuur, politiek en
leiderschap) die met elkaar overlappen. Hier komen outputs uit van behaalde doelen en
werktevredenheid.
rganisatiesystemen
O
opereren in drie soorten omgevingen: tijdelijke omgevingen, externe omgevingen en interne
omgevingen
Triggers van organisatieverandering
● Historische factoren (tijdelijke omgeving)
○ invloed door de cycli van innovatie in een industrie
○ invloed door de levenscyclus van de organisatie zelf
○ Interne factoren
Bepalen van verandercapaciteit en veranderstijl
Ervaring uit het verleden
○ Externe factoren
Maatschappelijke ontwikkelingen
Ontwikkelingen in de sector
● Interne factoren
○ Big ideas: kunnen veranderingen stimuleren binnenhet bedrijf (nieuwe CEO, nieuwe
visie en missie en gebruik van nieuwe technologie
● Externe factoren
○ PESTLE : altijd EXTERN en onderling afhankelijk (dynamisch)
Po litiek: politieke veranderingen hebben vaak ookinvloed op de
economische omgeving. Managers krijgen nieuwe uitdagingen.
Ec onomisch: door verandering in wisselkoersen, belastingen loon.
So ciaal-cultureel: de manier waarop een bedrijf opgezet,gerund en beheerd
wordt, maar ook voor het aantrekken van nieuwe mensen. Discriminatie is
belangrijk met het werven, selectie en promotieproces. Verandering in
demografie beïnvloed de beschikbaarheid van kennis, vaardigheden en
markten
Technisch: nieuwe productieprocessen, veranderingenin
transporttechnologie (lange termijn effect). Productiviteit verandert door
machines maar er komen ook nieuwe vaardigheden. 2 soorten bedrijven:
● die nieuwe technologie in gebruik nemen voor hulp bij productie
● die nieuwe technologie creëren om competitief te blijven
○ Omgevingsturbulentie
Kernpunten
● Voorspelbaarheid: weet ik wat ik kan veranderen?
● Reactietijd: hoeveel tijd is er om verandering te implementeren?
5 niveaus (oplopende turbulentie):
, Andere typering op basis van de drie verschillende veranderende situaties:
1. Gesloten verandering: bij continue activiteiten vaneen bestaand bedrijf. Er kan gezegd
worden wat, waarom iets gebeurt en wat de gevolgen zijn
2. Ingesloten verandering: er kan alleen gezegd wordenwat er misschien gebeurt is, waarom
en wat de waarschijnlijke consequenties zijn
3. Verandering met een open einde: de acties zeggen nietsover wat en waarom iets is
gebeurd of wat de gevolgen zijn
oofdstuk 2
H
Contingentie gedachte: one-best way for each organisation (or change situation)
Onderliggende dimensies bij de theorieën
Diepgang (scope) convergent radicaal
Ritme (pace) continu discontinu
Urgentie (tijd) kan langzaam moet snel
Schaal (scale/size) onderdeel vh bedrijf gehele bedrijf
Complexiteit hard soft
Hoe gepland emergent
Typen veranderingen (1)(m odel van Grundy)
● Soepele incrementele verandering: verandering diezich langzaam ontwikkelt op een
systematische en voorspelbare manier met een constant tempo
● Hobbelige incrementele verandering: perioden van relatievekalmte die onderbroken
worden door een versnelling van tempo en verandering. Triggers: verandering door interne en
externe omgeving
● Discontinue verandering: snelle veranderingen in strategie,structuur en/of cultuur
rganisaties
O
Bestaan uit input van materialen en bronnen die in een organisatie komen, hierbinnen is eenformeel
subsysteem(strategie, doelen en structuur) eninformeelsubsysteem(cultuur, politiek en
leiderschap) die met elkaar overlappen. Hier komen outputs uit van behaalde doelen en
werktevredenheid.
rganisatiesystemen
O
opereren in drie soorten omgevingen: tijdelijke omgevingen, externe omgevingen en interne
omgevingen
Triggers van organisatieverandering
● Historische factoren (tijdelijke omgeving)
○ invloed door de cycli van innovatie in een industrie
○ invloed door de levenscyclus van de organisatie zelf
○ Interne factoren
Bepalen van verandercapaciteit en veranderstijl
Ervaring uit het verleden
○ Externe factoren
Maatschappelijke ontwikkelingen
Ontwikkelingen in de sector
● Interne factoren
○ Big ideas: kunnen veranderingen stimuleren binnenhet bedrijf (nieuwe CEO, nieuwe
visie en missie en gebruik van nieuwe technologie
● Externe factoren
○ PESTLE : altijd EXTERN en onderling afhankelijk (dynamisch)
Po litiek: politieke veranderingen hebben vaak ookinvloed op de
economische omgeving. Managers krijgen nieuwe uitdagingen.
Ec onomisch: door verandering in wisselkoersen, belastingen loon.
So ciaal-cultureel: de manier waarop een bedrijf opgezet,gerund en beheerd
wordt, maar ook voor het aantrekken van nieuwe mensen. Discriminatie is
belangrijk met het werven, selectie en promotieproces. Verandering in
demografie beïnvloed de beschikbaarheid van kennis, vaardigheden en
markten
Technisch: nieuwe productieprocessen, veranderingenin
transporttechnologie (lange termijn effect). Productiviteit verandert door
machines maar er komen ook nieuwe vaardigheden. 2 soorten bedrijven:
● die nieuwe technologie in gebruik nemen voor hulp bij productie
● die nieuwe technologie creëren om competitief te blijven
○ Omgevingsturbulentie
Kernpunten
● Voorspelbaarheid: weet ik wat ik kan veranderen?
● Reactietijd: hoeveel tijd is er om verandering te implementeren?
5 niveaus (oplopende turbulentie):
, Andere typering op basis van de drie verschillende veranderende situaties:
1. Gesloten verandering: bij continue activiteiten vaneen bestaand bedrijf. Er kan gezegd
worden wat, waarom iets gebeurt en wat de gevolgen zijn
2. Ingesloten verandering: er kan alleen gezegd wordenwat er misschien gebeurt is, waarom
en wat de waarschijnlijke consequenties zijn
3. Verandering met een open einde: de acties zeggen nietsover wat en waarom iets is
gebeurd of wat de gevolgen zijn
oofdstuk 2
H
Contingentie gedachte: one-best way for each organisation (or change situation)
Onderliggende dimensies bij de theorieën
Diepgang (scope) convergent radicaal
Ritme (pace) continu discontinu
Urgentie (tijd) kan langzaam moet snel
Schaal (scale/size) onderdeel vh bedrijf gehele bedrijf
Complexiteit hard soft
Hoe gepland emergent
Typen veranderingen (1)(m odel van Grundy)
● Soepele incrementele verandering: verandering diezich langzaam ontwikkelt op een
systematische en voorspelbare manier met een constant tempo
● Hobbelige incrementele verandering: perioden van relatievekalmte die onderbroken
worden door een versnelling van tempo en verandering. Triggers: verandering door interne en
externe omgeving
● Discontinue verandering: snelle veranderingen in strategie,structuur en/of cultuur