H4 Leren en omgeving
Leren: een blijvende verandering in gedrag of cognitieve processen als
gevolg van een bepaalde ervaring.
Eenvoudige en complexe vormen van leren
Habituatie: leren niet te reageren op de herhaalde aanbieding van een
stimulus.
➢ Voorbeeld: als je naast een drukke straat woont en leert om het
geluid van de drukke straat te negeren.
Mere-exposure-effect: aangeleerde voorkeur voor stimuli waaraan we al
eerder zijn blootgesteld.
➢ Voorbeeld: we vinden dingen en mensen leuker naarmate we ze
vaker hebben gezien.
Stimulus-response-leren: vormen van leren die we kunnen beschrijven in
termen van stimuli en responsen, zoals klassieke en operante
conditionering.
Klassieke conditionering
Klassieke conditionering: een vorm van stimulus-respons-leren waarbij
een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft om
dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze
reflex oorspronkelijk oproept. Vindt zowel plaats bij dieren als bij mensen.
➢ Watson geïnspireerd door Pavlov
➢ Voorbeeld: een hond hoort een geluid en krijgt daarna voedsel
aangeboden, wat zorgt voor speekselproductie. De volgende keer
dat hij dit geluid hoort zal zijn speekselproductie al gelijk worden
aangemaakt, voordat hij het eten ziet.
Neutrale stimulus (NS): iedere stimulus die voorafgaand aan de
verwerkingsfase geen geconditioneerde respons oproept. (Een stimulus
die van nature geen reactie oproept, zoals geluid of licht).
➢ Pavlov had ontdekt dat wanneer een neutrale stimulus (voedsel)
gekoppeld wordt aan een aangeleerde respons (speekselproductie)
zal oproepen die gelijk is aan een oorspronkelijk reflex.
Ongeconditioneerde stimulus (UCS): de stimulus die een
ongeconditioneerde reactie oproept.
➢ In Pavlov’s experiment was ‘voedsel’ de UCS.
Ongeconditioneerde respons (UCR): de respons die voorafgaande aan de
verwervingsfase wordt opgeroepen door een ongeconditioneerde stimulus.
➢ In Pavlov’s experiment was ‘speekselvorming’ de UCR
➢ De verbinding tussen UCS en UCR bestaat dus zonder te leren.
, Verwervingsfase: het eerste leerstadium in de klassieke conditionering,
waarin de geconditioneerde stimulus steeds vaker de geconditioneerde
respons oproept.
Contiguïteit: het samen, of vlak na elkaar, aanbieden van de neutrale
stimulus (NS) en de ongeconditioneerde stimulus (UCS).
➢ Na een aantal pogingen zal de NS dezelfde respons oproepen als de
UCS.
Geconditioneerde stimulus (CS): een oorspronkelijke neutrale stimulus die
na een leerproces de geconditioneerde respons oproept.
➢ Zodra het geluid in Pavlov’s experiment tot speekselvorming leidt,
zeggen we dat de oorspronkelijke NS is veranderd in een
geconditioneerde stimulus (CS).
Geconditioneerde respons (CR): een respons die wordt opgeroepen door
een oorspronkelijke neutrale stimulus die na een leerproces geassocieerd
wordt met de ongeconditioneerde stimulus.
➢ Tijdsperiode tussen stimulus en respons is essentieel. De CS en de
UCS moeten snel na elkaar worden aangeboden, zodat het
organisme het gewenste verband kan leggen.
➢ Het geluid in het experiment is nu in staat dezelfde respons van
speekselvorming op te roepen als de UCS.
➢ Er is sprake van leren zodra de oorspronkelijke NS is veranderd in
een CS.
Leren: een blijvende verandering in gedrag of cognitieve processen als
gevolg van een bepaalde ervaring.
Eenvoudige en complexe vormen van leren
Habituatie: leren niet te reageren op de herhaalde aanbieding van een
stimulus.
➢ Voorbeeld: als je naast een drukke straat woont en leert om het
geluid van de drukke straat te negeren.
Mere-exposure-effect: aangeleerde voorkeur voor stimuli waaraan we al
eerder zijn blootgesteld.
➢ Voorbeeld: we vinden dingen en mensen leuker naarmate we ze
vaker hebben gezien.
Stimulus-response-leren: vormen van leren die we kunnen beschrijven in
termen van stimuli en responsen, zoals klassieke en operante
conditionering.
Klassieke conditionering
Klassieke conditionering: een vorm van stimulus-respons-leren waarbij
een in eerste instantie neutrale stimulus het vermogen verwerft om
dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere stimulus die deze
reflex oorspronkelijk oproept. Vindt zowel plaats bij dieren als bij mensen.
➢ Watson geïnspireerd door Pavlov
➢ Voorbeeld: een hond hoort een geluid en krijgt daarna voedsel
aangeboden, wat zorgt voor speekselproductie. De volgende keer
dat hij dit geluid hoort zal zijn speekselproductie al gelijk worden
aangemaakt, voordat hij het eten ziet.
Neutrale stimulus (NS): iedere stimulus die voorafgaand aan de
verwerkingsfase geen geconditioneerde respons oproept. (Een stimulus
die van nature geen reactie oproept, zoals geluid of licht).
➢ Pavlov had ontdekt dat wanneer een neutrale stimulus (voedsel)
gekoppeld wordt aan een aangeleerde respons (speekselproductie)
zal oproepen die gelijk is aan een oorspronkelijk reflex.
Ongeconditioneerde stimulus (UCS): de stimulus die een
ongeconditioneerde reactie oproept.
➢ In Pavlov’s experiment was ‘voedsel’ de UCS.
Ongeconditioneerde respons (UCR): de respons die voorafgaande aan de
verwervingsfase wordt opgeroepen door een ongeconditioneerde stimulus.
➢ In Pavlov’s experiment was ‘speekselvorming’ de UCR
➢ De verbinding tussen UCS en UCR bestaat dus zonder te leren.
, Verwervingsfase: het eerste leerstadium in de klassieke conditionering,
waarin de geconditioneerde stimulus steeds vaker de geconditioneerde
respons oproept.
Contiguïteit: het samen, of vlak na elkaar, aanbieden van de neutrale
stimulus (NS) en de ongeconditioneerde stimulus (UCS).
➢ Na een aantal pogingen zal de NS dezelfde respons oproepen als de
UCS.
Geconditioneerde stimulus (CS): een oorspronkelijke neutrale stimulus die
na een leerproces de geconditioneerde respons oproept.
➢ Zodra het geluid in Pavlov’s experiment tot speekselvorming leidt,
zeggen we dat de oorspronkelijke NS is veranderd in een
geconditioneerde stimulus (CS).
Geconditioneerde respons (CR): een respons die wordt opgeroepen door
een oorspronkelijke neutrale stimulus die na een leerproces geassocieerd
wordt met de ongeconditioneerde stimulus.
➢ Tijdsperiode tussen stimulus en respons is essentieel. De CS en de
UCS moeten snel na elkaar worden aangeboden, zodat het
organisme het gewenste verband kan leggen.
➢ Het geluid in het experiment is nu in staat dezelfde respons van
speekselvorming op te roepen als de UCS.
➢ Er is sprake van leren zodra de oorspronkelijke NS is veranderd in
een CS.