PBL1 Schriftelijke communicatie
Theorie stijl
Stijlaspecten:
- Contaminatie: door elkaar gebruiken van woorden en uitdrukkingen.
Voorbeeld: mond-op-mondreclame = mond-op-mondbeademing, mond-tot-mondreclame
- Congruentiekwesties: onderwerp en persoonsvorm moeten overeenkomen in getal.
Voorbeeld: reizigers (onderwerp) worden (persoonsvorm) verzocht snel over te stappen. >
juist.
Kies bij meervoudige naam aanduidingen voor een persoonsvorm het enkelvoud als het gaat
om de naam van een bedrijf, instantie, vereniging etc.
Voorbeeld: de NS hoopt over vijf jaar precies volgens het boekje te kunnen rijden.
Kies voor een persoonsvorm in het meervoud als er duidelijk sprake is van een meervoudige
samenstelling.
Voorbeeld: de Verenigde Staten hebben besloten…
Je gebruikt het enkelvoud in zinnen met zowel…als.
Voorbeeld: Jan speelt bij de senioren en Leo speelt ook bij de senioren = Zowel Jan als
Leo speelt bij de senioren.
Als een van de delen in het meervoud staat, gebruik je natuurlijk een persoonsvorm in
het meervoud.
Voorbeeld: zowel de boer als zijn knechten profiteerden van de welvaart.
Als twee enkelvoudige onderwerpen een verschillend persoonsvorm vereisen, gebruik je
het meervoud.
Voorbeeld: zowel jij als mijn broer hebben een fout gemaakt.
- Pleonasme: een deel van de betekenis van een woord wordt in een ander woord herhaald.
Voorbeeld: grote reus (reus is al groot), exporteren naar het buitenland (in het woord
exporteren zit al buitenland).
- Tautologie: de volledige betekenis van een woord wordt in een ander woord nogmaals tot
uitdrukking gebracht.
Voorbeeld: zij is niet in staat te kunnen komen (in staat zijn/kunnen > betekent hetzelfde).
- Omdat, doordat, daarom, daardoor: omdat/daarom > geeft een reden aan (beslissing).
Doordat/daardoor > er is sprake van een oorzaak (geen invloed).
- Wat, dat: ‘dat’ verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord. ‘wat’ verwijst naar een hele
zin, naar iets onbepaalds (alles, iets, niet, datgene, dat), na een overtreffende trap en na een
voorzetsel.
Voorbeeld: ik heb een boek gekregen, ‘wat’ ik plezierig vind. Ik heb een boek gekregen ‘dat’
ik al heel lang wil lezen.
- Foutief beknopte bijzin: een bijzin is foutief als het verzwegen onderwerp van de beknopte
bijzin niet gelijk is aan het onderwerp van de hoofdzin.
Voorbeeld: staand op het balkon, trok de stoet voorbij.
- Foutieve inversie: omkering van de reguliere zinsvolgorde – verdraaiing van de volgorde van
het onderwerp en de persoonsvorm.
Voorbeeld: (goed) Lucebert is een goede dichter en ik lees zijn werk graag. (fout) Lucebert is
een goede dichter en lees ik graag zijn werk.
- Samentrekking:
Samengetrokken zinsdeel heeft niet dezelfde grammaticale functie.
Voorbeeld: (fout) het boek interesseert hem niet en leest hij daarom niet.
Persoonsvorm verschilt in getal.
Theorie stijl
Stijlaspecten:
- Contaminatie: door elkaar gebruiken van woorden en uitdrukkingen.
Voorbeeld: mond-op-mondreclame = mond-op-mondbeademing, mond-tot-mondreclame
- Congruentiekwesties: onderwerp en persoonsvorm moeten overeenkomen in getal.
Voorbeeld: reizigers (onderwerp) worden (persoonsvorm) verzocht snel over te stappen. >
juist.
Kies bij meervoudige naam aanduidingen voor een persoonsvorm het enkelvoud als het gaat
om de naam van een bedrijf, instantie, vereniging etc.
Voorbeeld: de NS hoopt over vijf jaar precies volgens het boekje te kunnen rijden.
Kies voor een persoonsvorm in het meervoud als er duidelijk sprake is van een meervoudige
samenstelling.
Voorbeeld: de Verenigde Staten hebben besloten…
Je gebruikt het enkelvoud in zinnen met zowel…als.
Voorbeeld: Jan speelt bij de senioren en Leo speelt ook bij de senioren = Zowel Jan als
Leo speelt bij de senioren.
Als een van de delen in het meervoud staat, gebruik je natuurlijk een persoonsvorm in
het meervoud.
Voorbeeld: zowel de boer als zijn knechten profiteerden van de welvaart.
Als twee enkelvoudige onderwerpen een verschillend persoonsvorm vereisen, gebruik je
het meervoud.
Voorbeeld: zowel jij als mijn broer hebben een fout gemaakt.
- Pleonasme: een deel van de betekenis van een woord wordt in een ander woord herhaald.
Voorbeeld: grote reus (reus is al groot), exporteren naar het buitenland (in het woord
exporteren zit al buitenland).
- Tautologie: de volledige betekenis van een woord wordt in een ander woord nogmaals tot
uitdrukking gebracht.
Voorbeeld: zij is niet in staat te kunnen komen (in staat zijn/kunnen > betekent hetzelfde).
- Omdat, doordat, daarom, daardoor: omdat/daarom > geeft een reden aan (beslissing).
Doordat/daardoor > er is sprake van een oorzaak (geen invloed).
- Wat, dat: ‘dat’ verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord. ‘wat’ verwijst naar een hele
zin, naar iets onbepaalds (alles, iets, niet, datgene, dat), na een overtreffende trap en na een
voorzetsel.
Voorbeeld: ik heb een boek gekregen, ‘wat’ ik plezierig vind. Ik heb een boek gekregen ‘dat’
ik al heel lang wil lezen.
- Foutief beknopte bijzin: een bijzin is foutief als het verzwegen onderwerp van de beknopte
bijzin niet gelijk is aan het onderwerp van de hoofdzin.
Voorbeeld: staand op het balkon, trok de stoet voorbij.
- Foutieve inversie: omkering van de reguliere zinsvolgorde – verdraaiing van de volgorde van
het onderwerp en de persoonsvorm.
Voorbeeld: (goed) Lucebert is een goede dichter en ik lees zijn werk graag. (fout) Lucebert is
een goede dichter en lees ik graag zijn werk.
- Samentrekking:
Samengetrokken zinsdeel heeft niet dezelfde grammaticale functie.
Voorbeeld: (fout) het boek interesseert hem niet en leest hij daarom niet.
Persoonsvorm verschilt in getal.