Student informatie N. Radialislaesie
Naam: Dhr K, 32 jaar
Diagnose en verwijzing huiasrts: N. Radialislaesie
N. Radialis (C6 – Th1)
Traumatische letsels en compressiesyndromen van de n.radialis
De n.radialis kan in zijn totale verloop door verwondingen en / of chronische drukinwerking
beschadigd raken. Het klinische beeld hangt daarbij in doorslaggevende mate van de soort laesie af. In
principe geldt: hoe proximaler de laesie, hoe groter het aantal betrokken extensoren. Karakteristiek
voor proximale (‘hoge’) laesies is de zogenaamde ‘dropping hand’, waarbij strekking van de pols noch
strekking in de basisgewrichten mogelijk is. Afhankelijk van de plaats van de laesie ontstaan tevens
sensibele stoornissen (pijn, paresthesieën en gevoelens van doofheid), in het bijzonder in het autonome
gebied van de r.superficialis op de radiale handrug (1 e spatium interosseum tussen duim en
wijsvinger).
Proximale n.radialislaesie
Chronische druk in de oksel:
Bijvoorbeeld door het gebruik van okselkrukken (Amerikaanse kruk).
Klinisch beeld: typische dropping hand en uitval van de m.triceps brachii (sensibiliteitsstoornissen aanwezig).
Traumatische laesie:
Bij fracturen van de humerusschacht ter hoogte van de sulcus nervi radialis (canalis spiralis).
Klinisch beeld: meestal een typische dropping hand, zonder betrokkenheid van de m.triceps brachii, omdat de
rr.musculares die de m.triceps brachii innerveren de n.radialis reeds vóór intrede in de sulcus nervi radialis
verlaten (de sensibiliteit is echter gestoord).
Chronische druk op de n.radialis waar deze een benige ondergrond in de sulcus nervi radialis heeft:
Bijvoorbeeld tijdens de slaap, bij narcose door verkeerde houding van de patiënt, door overmatige
callusvorming na een fractuur, door bindweefselbruggen van het caput laterale van de m.triceps brachii, vaak als
zogenaamde ‘paralysie d’amour’ aangeduid.
Klinisch beeld: dropping hand zonder betrokkenheid van de m.triceps brachii met de gunstigste prognose en
regressie van de drukparesen binnen enkele dagen (met sensibliteitsstoornissen).
Middelste n.radialislaesie
Chronische druk op de n.radialis waar deze het septum intermusculare laterale doorboort en door de
radialistunnel loopt:
Bijvoorbeeld door overstekende bloedvaten en bindweefselsepta.
Klinisch beeld: dropping hand met sensibiliteitsstoornissen.
Distale n.radialislaesie
Compressie van de r.profundus waar deze de supinatortunnel binnenkomt:
Door een scherpgerande pees van de pars superficialis van de m.supinator (arcade van Frohse):
supinatortunnelfenomeen of compressiesyndroom van de distale n.radialis.
Klinisch beeld: geen dropping hand en geen sensibiliteitsstoornissen in de hand (voordat de zenuw de
supinatortunnel binnengaat, worden de zuiver sensibele r.superficialis en rr.musculares voor de m.supinator,
m.brachioradialis, m.extensor carpi radialis longus en brevis afgegeven). Paresen van de mm.extensores pollicis
brevis en longus, abductor pollicis longus, extensor digitorum, extensor indicis en extensor carpi ulnaris.
Traumatisch letsel van de r.profundus:
Ten gevolge van radiusluxatie van radiusfractuur.
Klinisch beeld: geen dropping hand en geen sensibiliteitsstoornissen.
,Dropping hand na proximale en middelste radialislaesies
Raakt de n.radialis beschadigd, dan kan de patiënt de hand niet meer optillen; men spreekt van een
dropping hand (= vallende hand). Naast de dropping hand is er sensibele uitval aan de radiale zijde van
de handrug, de strekzijde van de duim, van de wijsvinger en van de radiale zijde van de middelvinger
tot aan het middelste kootje. De sensibiliteitsstoornissen zijn vaak beperkt tot het autonome gebied van
de zenuw (spatium interosseum tussen duim en wijsvinger).
Zenuwletsel: neuropraxie
Neuropraxie ontstaat door drukvermeerdering. Hierdoor ontstaat een verstoring van de circulatie, die
geen structurele schade aanricht.
Anoxie oedeem lokale metabole geleidingsstoornis.
Wordt de druk nog wat hoger, dan ontstaat er demyelinisatie van de cellen van Schwann
demyelinisatie-blokkade. Eén en ander is reversibel.
Zenuwletsel: axonotmesis
Axonotmesis ontstaat wanneer door drukvermeerdering beschadiging van zenuwvezels ontstaat.
Herstel is goed wanneer de cellen van Schwann en het bindweefsel niet beschadigd zijn. De route voor
groeirichting bestaat namelijk nog.
Zenuwletsel: neurotmesis
Neurotmesis is gelijk aan axonotmesis, maar dan met beschadiging van de cellen van Schwann en het
bindweefsel. Neurotmesis heeft een slechte prognose met onvolledig herstel, als er al herstel
plaatsvindt.
Zenuwweefsel en cellen van Schwann
Zenuwweefsel groeit met ongeveer 1mm per dag. De cellen van Schwann zijn gliacellen
(tegenovergestelde van zenuwcellen) die geassocieerd zijn met de axon van sommige zenuwcellen.
Elke cel vormt 1 segment van een myelineschede, en tussen elk segment vindt men de knopen van
Ranvier. De cellen van Schwann hebben als functie om de impulsgeleiding in het axon te versnellen.
, PNF patronen
1. De gemaakte beweging is het patroon;
2. De gemaakte beweging is driedimensionaal;
3. De gemaakte beweging bestaat uit:
flexie of extensie, met
adductie of abductie en
endorotatie of exorotatie.
Proprioceptieve (intern verkregen informatie over houding en beweging van het lichaam)
Neuromusculaire (betrekking op spieren en zenuwen)
Fascilitatie (vergemakkelijken).
Het is een behandelmethode om de basisprincipes van de motoriek van de patiënt te verbeteren.
Het patroon zelf is een driedimensionaal beschreven basisbeweging:
- Het patroon wordt beschreven aan de hand van beweging van het proximale gewricht van de
extremiteit;
- Het bewegingspatroon wordt genoemd naar de eindstand van het patroon;
- Het middelste gewricht wordt alleen genoemd als de positie wordt veranderd;
- Het patroon verloopt altijd in een diagonaal, dus er zijn altijd 2 patronen in 1 diagonaal;
- Het patroon kan unilateraal of bilateraal worden uitgevoerd.
Het doel van PNF is:
- Bewegingsmogelijkheid vergroten;
- Stabiliteit verbeteren;
- Gecoördineerde bewegingen verbeteren;
- Uithoudingsvermogen vergroten.
Basisprincipes:
1. Weerstand: om de spiercontractie te stimuleren, de motorische controle te verbeteren en de
kracht te vergroten
2. Irradiatie en reinforcement: het bewust benutten van het ‘overflow-principe’ om zwakke delen
te stimuleren;
3. Manueel contact: om de kracht te vergroten en de beweging te sturen door middel van
adequate handgrepen ;
4. Bodyposition en bodymechanics: om via een goede lichaamshouding met een juiste positie
van armen en handen de beweging van de patiënt te sturen d.m.v. adequate handgrepen.
5. Verbaal commando: auditieve prikkels, zoals woorden en stemvolume
6. Visuele feedback: visuele controle vergemakkelijkt de bewegingsuitvoering;
7. Tractie of approximatie: verlenging of compressie van een extremiteit of de romp faciliteert
beweging of stabiliteit.
8. Stretch: rek op een spier vergemakkelijkt de spiercontracties en vermindert vermoeidheid;
9. Timing: een correcte volgorde qua prikkeltoediening stimuleert een normale
bewegingsvolgorde.
10. Patterns of bewegingsdiagonalen: dit zijn synergetische bewegingspatronen, die inherent zijn
aan een normale functionele beweging.