Kan uitleggen wat bedoeld wordt met de competenties en kernbegrippen horende bij de rol van
zorgverlener en de rol van reflectieve professional:
- De verpleegkundige handelt vanuit een continu aanwezig onderzoekend vermogen leidend
tot: reflectie, evidence based practice en innovatie van de beroepspraktijk.
- Kernbegrip: onderzoek vermogen. Kritisch onderzoeken en reflectieve basishouding. Door
hard op te handelen.
- Het verantwoord handelen vanuit verschillende kennisbronnen.
- Het hanteren van een methodische aanpak.
Kan benoemen wat met Vitale functies wordt bedoeld:
- Vitale functies:
Je analyseert de meest voorkomende verpleegkundige diagnosen die ontstaat bij het
disfunctioneren van deze functies.
Ademhaling, polsfrequentie, temperatuur en de bloeddruk.
A = ademhaling
B = bewustzijn
C = circulatie. Polsfrequentie en bloeddruk.
D = temperatuur. Bij ontstaan van infecties.
Kan benoemen wat met cognitief functioneren wordt bedoeld:
- Cognitieve functies:
Zijn specifieke geestelijke activiteiten die aangestuurd worden door de hersenen.
Het geheugen.
Taalgebruik.
Het begrijpen en uitvoeren van handelingen.
Kan beargumenteren waarom je als verpleegkundige onderzoekend vermogen nodig hebt om als
zorgverlener en reflectieve professional te kunnen functioneren binnen het verpleegkundig proces:
- Zodat je telkens de best mogelijke zorg levert aan de patiënt.
Kan beargumenteren wat meetinstrumenten toevoegen aan de anamnese en weet waar
meetinstrumenten aan moeten voldoen:
-
Kan beargumenteren wanneer richtlijnen en protocollen worden gebruikt en kan deze opzoeken:
-
Weet waarom EBP belangrijk is en welke 5 stappen daarvoor nodig zijn:
1. Formuleer een beantwoordbare vraag: pico
P = patiënt of probleem I = interventie C = vergelijking O = uitkomst
2. Efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal.
3. Beoordelen van het gevonden bewijs op methodologische kwaliteit en toepasbaarheid.
4. Toepassen van het resultaat in de praktijk.
5. Evaluatie proces en resultaat.
1
, Verpleegkundige kennis leerdoelen week 2:
Kan benoemen wat een normale en een afwijkende ademhaling is:
- Normale ademhaling:
Een activiteit van het organisme, waarbij zuurstof O2 uit de omgeving wordt
opgenomen en koolstofdioxide/koolzuurgas CO2 wordt afgestaan.
2 niveaus:
o Ademhaling van het individu: buitenlucht inademen en uitwisseling gassen en bloed.
o Celademing: bloed wordt uitgewisseld met de cellen.
Ademhaling is actief:
o Heffen van de ribben
o Samentrekken diafragma
o Bij extra behoefte aan zuurstof: halsspieren en schoudergordel.
- Afwijkende ademhaling:
Benauwdheid, kortademigheid
De kenmerken en observaties bij dyspneu benoemen:
- Kenmerken:
Kortademigheid, benauwdheid.
Neemt toe bij: bij lichamelijke inspanning, luchtweerstand toeneemt (astma, CF) of
longelasticiteit neemt af (longemfyseem)
- Observaties:
Frequentie van de ademhaling (hoe vaak per minuut, normaal: 15-17 keer in en
uitademen per minuut)
Diepte (rust: ml)
Regelmaat
Patroon
De verpleegkundige interventies bij dyspneu benoemen:
- Verzachten van lijden en scheppen van ruimte om te leven.
Doelstellingen:
Bieden van ondersteuning bij het verwerken chronisch ziek zijn.
De strijd voor het dagelijks leven vergemakkelijken (balans tussen activiteiten en
rust).
Helpen bij de uitvoering van het therapeutisch regime (therapietrouw).
Ondersteuning bij het management van de zorg.
De verschillende meetinstrumenten bij benauwdheid benoemen en toepassen:
- VAS-score: Visual analogische schaal. Meerblad van cijfer hoe benauwd of hoeveel pijn je
hebt.
- Dyspneu-anamnese formulier.
- Dyspneu-evaluatie formulier.
- Borgschaal voor benauwdheid.
2