Bijeenkomst 2 werkwoordspelling
Werkwoordspelling
Een werkwoord is een woord dat aangeeft wat je doet. Met andere woorden: een
werkwoord geeft een activiteit aan, zoals lopen, fietsen, rennen, springen en maken.
Bepaal de vorm van het woord
- Persoonsvorm/voltooid deelwoord
Bepaal de tijd
- O.t.t/o.v.t/v.t
Persoonsvorm
De persoonsvorm (pv) van een zin is altijd een werkwoord. Als er maar één werkwoord in de
zin staat, is dat de pv. Bij meerdere werkwoorden is het werkwoord dat zich aanpast aan het
onderwerpen van de zin, de pv.
Als je de pv weet, dan kun je ook de andere zinsdelen benoemen. Zoek daarom altijd eerst
de pv in een zin.
De persoonsvorm vind je door:
1. Verander de tijd van de zin. Het werkwoord dat verandert, is de pv.
2. Maak een vraagzin (gebruik alle woorden). Het werkwoord dat vooraan komt te
staan, is de pv.
3. Verander het aantal van het onderwerp. Het werkwoord dat verandert, is de pv.
Werkwoorden geven aan in welke tijd de zin staat:
- Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
- Verleden tijd (o.v.t.)
- Voltooide tijd (v.v.t.)
Tegenwoordige tijd (o.t.t)
Ik smurf
Hij smurft
Wij smurfen
Smurf jij? Jij smurft
Valkuilen (o.t.t.)
- Stam eindigend op d.
Ik word op straat niet herkend
Zij wordt op straat niet herkend
- Werkwoorden met valse f en s.
Weven – ik weef
Verhuizen – jij verhuisd
- Je-vorm na persoonsvorm
Je besteedt te weinig tijd aan je studie.
Besteed je wel genoeg tijd aan je studie? (je = jij)
Besteedt je broer wel genoeg tijd aan zijn studie? (je = jouw)
, Werkwoordspelling (o.t.t.)
Stam = ik-vorm van werkwoorden
(ik) loop, fiets, verras, zwem…
Regels Voorbeelden
Stam: Ik werk – werk ik – werk jij – werk!
- Bij ik als onderwerp
- Als jij/je direct achter de persoonsvorm staat
- In de gebiedende wijs
Stam + -t: Jij werkt – hij werkt – werkt hij- zij
- Alle andere onderwerpen in het enkelvoud werkt- u werkt- werkt u – het
(jij/hij/zij/u/het) werkt
Hele werkwoord: Wij werken – werken wij – zij
- Alle onderwerpen in het meervoud werken – werken zij – jullie werken
(wij/zij/jullie) – werken jullie
Let op!
Als er je achter de persoonsvorm staat, krijg je de stam, maar alleen als je te vervangen is
door jij.
Voorbeeld:
- Werk je morgen ook? (je = jij)
- Werkt je broer morgen ook? (je = jouw)
Van werkwoorden als houden en rijden, waarvan de stam eindigt op een -d na een
tweeklank, vervalt in gesproken taal de d in de persoonsvorm enkel zonder -t:
Voorbeeld:
- Ik hou van jou
- Rij jij ook niet graag in het donker?
In formele taal wordt de -d achter (ik houd van jou) geschreven, maar je mag het ook
weglaten. (houden, rijden, snijden en uitscheiden ect.)
Verleden tijd (o.v.t.)
- Sterke/onregelmatige werkwoorden
(klinker/vorm verandert in de verleden tijd)
- Zwakke/regelmatige werkwoorden
(werkwoorden krijgt -te(n) of -de(n) achter de stam)
Voorbeelden:
Onregelmatige werkwoorden Regelmatige werkwoorden
Kijken: ik keek Behandelen: ik behandelde
Geven: ik gaf Bespieden: ik bespiedde
Ruiken: ik rook Kloppen: ik klopte
Slapen: ik sliep Vrezen: ik vreesde
Lezen: ik las Reizen: ik reisde