Leerdoelen:
1- Verklaar de ontwikkeling van het legaliteitsbeginsel.
2- Omschrijf de inhoud van het legaliteitsbeginsel.
3- Op welke wijze kan het begrip soevereiniteit in verband met de ontwikkeling van het
legaliteitsbeginsel worden gebracht?
4- Leg de procedure van de grondwetsherziening uit.
5- Wat is een openbaar lichaam en wat is het verschil tussen een openbaar lichaam en een
ambt?
6- Welke verschillende overheidsorganen (ambten) kan men onderscheiden?
7- Aan kunnen geven of een ambt een centrale dan wel een decentrale c.q. een
geconcentreerde dan wel een gedeconcentreerde functie vervult;
8- Aan kunnen geven wat het onderscheid tussen Awb-bestuursorganen en andere
overheidsorganen (ambten) is.
9- De verschillende vormen van overheidsoptreden kunnen aanwijzen.
10- Het onderscheid tussen Awb-besluiten en andere overheidsbeslissingen kennen.
11- De verschillende manieren waarop overheidsbevoegdheden worden verkregen aan
kunnen duiden.
Van binding aan het gewoonterecht naar binding aan de wet:
- De geachte dat staatsgezag afhankelijk is van het recht dient niet alleen in de negatieve
betekenis worden gezien (oude rechtsaanspraken) maar ook in de positieve zin
(berusten op rechtsregels).
- Macht wordt bevoegdheid: machtsuitoefening is slechts geoorloofd indien en in zoverre
er een rechtsregel is die daartoe grondslag geeft. Daarmee verandert de legitimiteitbasis
van machtsuitoefening. Macht wordt voortaan slechts legitiem opgevat als ze op recht
berust.
- Recht kan worden verstaan als het geheel van uit de traditie overgeleverde
rechtsaanspraken: dat was een middeleeuwse opvatting. Maar tegen het eind van de 18 e
eeuw wordt in beginsel recht positief. Dat betekent, dat recht ontstaat door een
rechtsscheppende handeling. Het wordt met andere woorden door een bewuste
handeling van de wetgever in het leven geroepen. Daarmee is aan het traditionele,
overgeleverde recht nog niet alle betekenis ontnomen, maar dit recht geldt nog slechts
voor zover het door de wetgever gestelde positieve recht dit toelaat.
Democratie en de soevereiniteit van de wetgever:
- Onder wetgever wordt verstaan een representatief orgaan, waarin de bevolking of
althans een deel daarvan gerepresenteerd is. Ook is er sprake van een samenwerking
tussen een vertegenwoordigend orgaan en de regering (parlement en regering vormen
de formele wetgever volgens artikel 81 van de Grondwet).
- Veranderingen voor de wetgeving zijn:
a. geen traditionele rechtsaanspraken meer;
b. wetgeving maakt een eind aan het veelal als willekeurig ervaren gezag van vorsten;
c. wetgeving betekend onderworpenheid aan de rechtsregel die men zelf in het leven
heeft geroepen.
- Deze ontwikkeling is nog onvoldoende om te waarborgen dat een staat een rechtsstaat
is. Het sluit niet uit dat de soevereiniteit van de vorst vervangen wordt door soevereiniteit
van de wetgever.
1/12
, Binding van de wetgever aan het recht (constitutie):
- Het begrip wet heeft niet alleen betrekking op de oorsprong van regels in een wetgevend
orgaan, maar ook op de inhoud van die regels.
- Wetten worden geacht aan bepaalde kwaliteitscriteria te voldoen, te weten:
1) Rechtsgelijkheid: ze moeten uit algemene regels bestaan, waarbij onderlinge
gelijkheid wordt gewaarborgd ;
2) Rechtszekerheid: ze moeten algemeen bekend worden gemaakt om de
rechtszekerheid te waarborgen.
- Voordelen hiervan zijn:
a- wetten bevatten in deze opvatting gedragsregels voor verboden en geboden;
b- biedt zo evenwel de grondslag voor machtsuitoefening waarbij toch ten gevolge van
de algemeenheid van de wettelijke normering een dam wordt opgeworpen tegen
incidenteel of willekeurig ingrijpen in leven of eigendom van burgers.
c- Geen machtsuitoefening zonder grondslg in de wet.
d- Waar de wet grondslag biedt, wijst zij tevens de criteria voor en begrenzingen van de
machtsuitoefening aan.
- Rechtsstatelijkheid is dan ook meer dan alleen binding van overheidsgezag aan wetten.
Ook de wetgever zelf is aan het recht geboden. Hiertoe dient het een constitutie, vaak
vastgelegd in de Grondwet te hebben.
- Door het vastleggen in de Grondwet is de formele wetgever zelf niet meer soeverrein.
De constitutie:
1- Legt de onderlinge verhoudingen van de staatsorganen normatief vast;
2- Geeft daarbij de grenzen van hun bevoegdheden en de controlemechanismen die ertoe
moeten dienen die grenzen te waarborgen (machtsverdeling).
3- De begrenzing van overheidsbevoegdheden geschiedt in de relatie tussen overheid en
burger met name door de waarborging van fundamentele rechten (grondrechten);
4- Geeft waarborgen voor een onafhankelijke rechterlijke macht, die toeziet op
inachtneming van de machtsverdeling en grondrechten.
Onderscheidt tussen grondwet en constitutie:
- De constitutie is het geheel van regels dat de grondslagen van het staatsbestel bevat.
Een grondwet is een wet met hoger rechtskarakter, waarin deze rechtsregels zijn vervat.
- Elke staat heeft een constitutie, niet elke staat heeft een grondwet.
- In Nederland is het constitutionele recht in hoofdzaak vastgelegd in de Grondwet.
Daarnaast is dit recht te vinden in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden als in
sommige wetten als Kieswet en ongeschreven recht zoals vertrouwensregel.
De Algemene wet bestuursrecht:
- Speelt een belangrijke rol bij het uitwerken van het legaliteitsbeginsel op het terrein van
het bestuurlijk optreden door : systematisering; codificatie en uitbreiding van de werking
van dit beginsel.
- Artikel 107 van de Grondwet bevat de opdracht aan de wetgever om algemene regels
van bestuursrecht vast te stellen.
- Typisch voor het bestuursrecht is, dat elke beleidsterrein zijn eigen bijzondere wet heeft
(Wet milieubeheer, Wet op de ruimtelijke ordening).
- Door de invoering van de Awb is eenheid in de wetten gebracht. De Awb heeft met
harmonisatie (begripsbepalingen, rechtsbescherming e.d.) bijgedragen aan een
systematisering en vereenvoudiging van het bestuursrecht.
- De Awb heeft een gelaagde opbouw d.w.z. van algemeen naar bijzonder.
- Het proces vereenvoudiging van de Awb is nog niet afgerond, het is namelijk een
aanbouwwet, die in tranches steeds verder wordt uitgebouwd.
2/12