Leerdoelen:
1- Het begrip regering kunnen omschrijven;
2- De staatsrechtelijke positie van het staatshoofd kennen;
3- De functies van het koningschap kennen;
4- De staatsrechtelijke positie van ministers en staatssecretarissen kennen;
5- De gang van zaken tijdens de kabinetsformatie kennen;
6- Op welke wijze ministers en staatssecretarissen worden benoemd en in welke
verhoudingen zij tot elkaar staan;
7- De bevoegdheden en taken van de Staten-Generaal kennen;
8- De betekenis van ministeriele verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel kunnen
omschrijven;
9- De verschillende participatiemogelijkheden van burgers kennen.
Het Nederlandse parlementaire stelsel:
1- De regering, deze wordt gevormd door de Koning en de ministers. (ook wel Kroon).
a. de Koning
b. Ministers (en staatssecretarissen c.q. het kabinet)
2- Het parlement c.q. Staten-Generaal, deze bestaat uit:
a. de Eerste Kamer
b. de Tweede Kamer
De Koning:
- Deze is deel van de regering, staatshoofd en een privépersoon.
- Dat de Koning staatshoofd is blijkt niet uit de Grondwet maar uit de
grondwetsgeschiedenis.
- Het staatshoofd heeft de bevoegdheid om een formateur of informateur aan te wijzen,
tevens is het bevoegd tot het sluiten van verdragen.
- De Koning is sinds 1948 onschendbaar. Voor 1948 was er sprake van een constitutioneel
koningschap d.w.z. de ministers stonden de Koning bij en waren zijn dienaren.
- De bevoegdheden van de Koning zijn op grond van ministeriele verantwoordelijkheid
vatbaar voor democratische controle.
- Het koningschap heeft een aantal functies:
a. symboolfunctie
b. formele functie ; ontvangen en verrichten van staatsbezoeken, ondertekening van
wetten en Koninklijke besluiten
c. kabinetsformatie
- De positie van de Koning en ministers dwingt tot eenheid (zelfde taal spreken) dit wordt
ook wel de homogeniteitsregel genoemd.
Ministers:
- Ministers zijn belast met de leiding van een ministerie. Er zijn ook ministers die niet zijn
belast met de leiding van een ministerie (minister zonder portefeuille).
- De ministers vormen tezamen de ministerraad (grondwettelijk geregeld).
- De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevorderd
de eenheid van het beleid. De minister-president is voorzitter, deze heeft opzich geen
andere bevoegdheden dan een andere minister.
- In de ministerraad worden behandeld: wetsvoorstellen, ontwerp amvb’s, nota’s aan de
Staten-Generaal en benoeming van ambtsdragers.
1
, - Staatssecretarissen zijn geen lid van de ministerraad. Zij kunnen aan de ministerraad
slechts deelnemen met raadgevende stem. Niet iedere minister heeft een
staatssecretaris.
- Kabinet: is geen apart orgaan met bevoegdheden. De term wordt gebruikt om de
ministers en staatssecretarissen aan te duiden. (is ook niet in de Grondwet beschreven).
- De begrippen regering en kabinet worden veelal door elkaar gebruikt welke
staatsrechtelijk gezien niet juist is.
- De ministers zijn alleen verantwoordelijk, de Koning niet.
- Ministers worden in veel wetten met bestuursbevoegdheden bekleed. Ze kunnen ook
eigen regelgevende bevoegdheden hebben. Zij zijn dan bestuursorganen in de zin van
de Awb! Ook treedt een minister doorgaans op als orgaan in privaatrechtelijke zin
(aanbestedingen e.d.).
Procedure van de kabinetsformatie:
- Deze procedure is niet in de Grondwet vastgelegd maar is gebaseerd op de
vertrouwensregel.
a. Na de uitslag van de verkiezingen wint de Koning advies in bij de voorzitter van de Raad
van State, de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en de fractievoorzitters uit de Tweede
Kamer.
b. Op basis van de adviezen wijs de Koning een formateur of een informateur aan.
c. Parlementaire formatiemethode: de onderhandelingen worden gevoerd met
factievoorzitters.
d. De (in)formateur maakt een keuze voor een bepaalde coalitie.
e. Er wordt onderhandeld over het regeerakkoord. (dit akkoord is niet bindend).
f. Er vindt een verdeling van de ministersposten en staatsecretarissen plaats.
g. De formateur brengt verslag uit aan het staatshoofd.
h. De formateur houdt een constituerende vergadering.
i. De formateur brengt verslag uit aan de Koning.
j. De Koning doet een voordracht van de te benoemen ministers en staatssecretarissen.
k. Het kabinet kan nu functioneren.
Het parlement / Staten-Generaal:
- Nederland heeft een tweekamerstelsel : de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.
- De functie van de Eerste Kamer is het nadenken over wetsvoorstellen en
beleidsvoornemens van de regering : de kamer van revisie.
- Het politieke primaat ligt bij de Tweede Kamer.
- De Eerste Kamer heeft niet de bevoegdheden van de Tweede Kamer (recht van
amendement, of het recht van initiatief. Wel kan het voorstellen om wijzigingen aan te
brengen.
- Er bestaat geen conflictenregeling bij een verschil van mening tussen de Eerste en
Tweede Kamer. Echter de Tweede Kamer wordt hoger geacht aangezien deze
rechtstreeks wordt gekozen en de Eerste kamer getrapt wordt gekozen.
Ministeriele verantwoordelijkheid:
- Er bestaat een duidelijk onderscheidt tussen de vertrouwensregel en de ministeriele
verantwoordelijkheid: de vertrouwensregel kan worden beschouwd als de sanctie op de
ministeriele verantwoordelijkheid.
- Verantwoordelijkheid is echter denkbaar zonder een vertrouwensregel. Een
burgemeester is wel verantwoording- en inlichtingenplichtig, maar kan niet door de
gemeenteraad naar huis worden gestuurd.
- Verder is ministeriele verantwoordelijkheid gekoppeld aan een ambt en richt de
vertrouwensregel zich tot de persoon die het ambt bekleed.
2