VRAGEN LEEREENHEID 2
1- Wat is de betekenis van de volgende begrippen?
a. Acquis communautaire
Acquis communautaire: dit zijn de gemeenschappelijke verworvenheden, die
de hele verzameling van Europese verdragen, geldende secundaire en
tertiaire rechtshandelingen, relevante rechtspraak en het bijbehorende
ongeschreven recht omvatten die de lidstaten en instellingen van de EU in de
loop der tijd hebben voortgebracht. Deze verworvenheden vormen het
fundament voor verdere integratie en de basis waaraan staten, die lid van de
EU willen worden, moeten voldoen.
b. Europese instellingen
Europese instellingen: de in artikel 13 VEU genoemde zeven instellingen van
de EU te weten; het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de
Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de
Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer.
c. Primair recht
Primair recht: de oprichtingsverdragen, de verdragen waarbij de
oprichtingsverdragen zijn aangevuld/gewijzigd, de toetredingsverdragen en
het Handvest van de grondrechten van de EU
d. Rechtsbronnen
Rechtsbronnen: alle bronnen van waaruit het (geldende) recht kan worden
gekend. Eijsbouts omschrijft deze voor het Unierecht als het primaire,
secundaire, tertiaire en ‘in-between’ recht.
e. Secundair recht
Secundair recht: het van het primaire recht afgeleide recht dat (tegenwoordig)
bestaat uit verordeningen, richtlijnen en besluiten
f. Soft law
Soft law: het tertiaire recht bestaande uit de beleidsinstrumenten die in de EU
worden gebruikt. Dit recht is juridisch niet verbindend, maar heeft vaak wel
indirect juridisch effect.
1/15
, g. Voorzitterschap
Voorzitterschap: de leiding van een instelling van de EU. Het speelt met name
een rol bij;
De Europese Raad, die tegenwoordig voor periodes van 2,5 jaar zijn vaste
voorzitter kiest, waarmee als het ware de Unie een gezicht wordt gegeven;
Het Europees Parlement, waarmee als het ware de volksvertegenwoordiging
een gezicht wordt gegeven;
De Commissie, waarmee de uitvoering als het ware een gezicht wordt
gegeven.
2. Wat is de verhouding tussen het institutionele kader, de instellingen, de
organen en de instanties van de EU?
Voor haar optreden beschikt de Unie over één enkel institutioneel kader (art. 13
lid 1 VEU). Bij het institutionele kader van de EU moet onderscheid worden
gemaakt tussen de ‘instellingen’ en andere organen van de Unie.
Men spreekt slechts van instellingen met betrekking tot de in artikel 13 VEU
genoemde zeven instellingen, namelijk het Europees Parlement, de Europese
Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese
Unie, de Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer. Iedere instelling
is een eigen taak toebedeeld ter verwezenlijking van aan de Unie opgedragen
doelstellingen. In artikel 13 lid 2 VEU staat ‘dat iedere instelling handelt binnen de
grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld’.
Daarnaast wordt ook verwezen naar de organen en instanties van de Unie.
Hieronder vallen overige lichamen zoals de Europese Investeringsbank en
adviesorganen en agentschappen van de EU.
Aan de basis van de institutionele structuur van de Unie staat een institutioneel
evenwicht. Het institutionele evenwicht houdt in dat iedere instelling beschikt over
2/15
, een zekere autonomie om haar bevoegdheden uit te oefenen, haar
bevoegdheden niet zonder meer mag overdragen aan andere instellingen of
organen en respect moet hebben voor de bevoegdheden van andere instellingen.
3. Welke belangen vertegenwoordigen de Europese Raad, de Commissie, de
Raad, het Europees Parlement en het Hof van Justitie en wat zijn hun
belangrijkste taken?
De Europese Raad vertegenwoordigt de belangen van de lidstaten.
De Commissie vertegenwoordigt het algemeen belang van de Unie.
De Raad vertegenwoordigt de belangen van de lidstaten.
Het Europees Parlement vertegenwoordigt de belangen van de burgers van de
Unie
Het Hof van Justitie van de Europese Unie dwingt de ‘eigen rechtsorde’ af (6/64,
Costa/ENEL), de Unierechtsorde.
Inzake het Hof van Justitie kan ook worden gewezen op het woord
‘rechtsgemeenschap’. Daartoe hebben de Verdragen een ‘volledig stelsel van
rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het Hof het toezicht
op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen’ (294/83,
Les Verts, r.o. 23). Het Hof van Justitie ziet er verder op toe dat het institutionele
3/15
1- Wat is de betekenis van de volgende begrippen?
a. Acquis communautaire
Acquis communautaire: dit zijn de gemeenschappelijke verworvenheden, die
de hele verzameling van Europese verdragen, geldende secundaire en
tertiaire rechtshandelingen, relevante rechtspraak en het bijbehorende
ongeschreven recht omvatten die de lidstaten en instellingen van de EU in de
loop der tijd hebben voortgebracht. Deze verworvenheden vormen het
fundament voor verdere integratie en de basis waaraan staten, die lid van de
EU willen worden, moeten voldoen.
b. Europese instellingen
Europese instellingen: de in artikel 13 VEU genoemde zeven instellingen van
de EU te weten; het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de
Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de
Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer.
c. Primair recht
Primair recht: de oprichtingsverdragen, de verdragen waarbij de
oprichtingsverdragen zijn aangevuld/gewijzigd, de toetredingsverdragen en
het Handvest van de grondrechten van de EU
d. Rechtsbronnen
Rechtsbronnen: alle bronnen van waaruit het (geldende) recht kan worden
gekend. Eijsbouts omschrijft deze voor het Unierecht als het primaire,
secundaire, tertiaire en ‘in-between’ recht.
e. Secundair recht
Secundair recht: het van het primaire recht afgeleide recht dat (tegenwoordig)
bestaat uit verordeningen, richtlijnen en besluiten
f. Soft law
Soft law: het tertiaire recht bestaande uit de beleidsinstrumenten die in de EU
worden gebruikt. Dit recht is juridisch niet verbindend, maar heeft vaak wel
indirect juridisch effect.
1/15
, g. Voorzitterschap
Voorzitterschap: de leiding van een instelling van de EU. Het speelt met name
een rol bij;
De Europese Raad, die tegenwoordig voor periodes van 2,5 jaar zijn vaste
voorzitter kiest, waarmee als het ware de Unie een gezicht wordt gegeven;
Het Europees Parlement, waarmee als het ware de volksvertegenwoordiging
een gezicht wordt gegeven;
De Commissie, waarmee de uitvoering als het ware een gezicht wordt
gegeven.
2. Wat is de verhouding tussen het institutionele kader, de instellingen, de
organen en de instanties van de EU?
Voor haar optreden beschikt de Unie over één enkel institutioneel kader (art. 13
lid 1 VEU). Bij het institutionele kader van de EU moet onderscheid worden
gemaakt tussen de ‘instellingen’ en andere organen van de Unie.
Men spreekt slechts van instellingen met betrekking tot de in artikel 13 VEU
genoemde zeven instellingen, namelijk het Europees Parlement, de Europese
Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese
Unie, de Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer. Iedere instelling
is een eigen taak toebedeeld ter verwezenlijking van aan de Unie opgedragen
doelstellingen. In artikel 13 lid 2 VEU staat ‘dat iedere instelling handelt binnen de
grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld’.
Daarnaast wordt ook verwezen naar de organen en instanties van de Unie.
Hieronder vallen overige lichamen zoals de Europese Investeringsbank en
adviesorganen en agentschappen van de EU.
Aan de basis van de institutionele structuur van de Unie staat een institutioneel
evenwicht. Het institutionele evenwicht houdt in dat iedere instelling beschikt over
2/15
, een zekere autonomie om haar bevoegdheden uit te oefenen, haar
bevoegdheden niet zonder meer mag overdragen aan andere instellingen of
organen en respect moet hebben voor de bevoegdheden van andere instellingen.
3. Welke belangen vertegenwoordigen de Europese Raad, de Commissie, de
Raad, het Europees Parlement en het Hof van Justitie en wat zijn hun
belangrijkste taken?
De Europese Raad vertegenwoordigt de belangen van de lidstaten.
De Commissie vertegenwoordigt het algemeen belang van de Unie.
De Raad vertegenwoordigt de belangen van de lidstaten.
Het Europees Parlement vertegenwoordigt de belangen van de burgers van de
Unie
Het Hof van Justitie van de Europese Unie dwingt de ‘eigen rechtsorde’ af (6/64,
Costa/ENEL), de Unierechtsorde.
Inzake het Hof van Justitie kan ook worden gewezen op het woord
‘rechtsgemeenschap’. Daartoe hebben de Verdragen een ‘volledig stelsel van
rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het Hof het toezicht
op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen’ (294/83,
Les Verts, r.o. 23). Het Hof van Justitie ziet er verder op toe dat het institutionele
3/15