Gedrag: alle waarneembare activiteiten van een dier of een mens. Gedrag is opgebouwd uit
opeenvolgende handelingen (gedragselementen). Gedrag is vaak gericht op verbetering of
handhaving van fysiologische toestanden.
Een handeling is een reactie (respons) op prikkels.
Effectief (doelmatig) gedrag vergroot de overlevingskans en de kans op voortplanting.
Gedrag voorziet in behoeften. Doordat behoeften worden vervuld neemt de motivatie voor het
gedrag af. Kennis van het gedrag wordt gebruikt bij het houden en het trainen van dieren.
Gedrag beschrijven
Ethologie: de studie van gedrag. Het wordt bestudeerd door het op splitsen in afzonderlijke
handelingen.
Ethogram: een overzicht van objectieve beschrijvingen va de handelingen va het diersoort.
Protocol: een lijst van achtereenvolgens waargenomenen handelingen van een dier.
Gedragsysteem: een groep samenhangende handelingen van een diersoort. De handelingen
binnen een gedfragssysteem hebben een gemeenschappelijk doel en vormen vaak een
gedragsketen.
Gedragsketen: opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een
volgende handeling.
Het ontstaan van gedrag
Gedrag ontstaan door de interactie met de omgeving. Gedrag wordt bepaald door erfelijke
factoren, ervaringen, leerprocessen, anatomie, fysiologische toestand en prikkels. Interne prikkels
en externe prikkels bepalen de motivatie. De hersenen selecteren de belangrijkste prikkels uit de
omgeving.
Periodieke invloeden
Bij veel diersoorten heeft de daglengte invloed op de voortplanting. Bij amfibieën worden deze
processen mede beïnvloed door de temperatuur.
Sleutelprikkels en supernormale prikkels
Sleutelprikkel: prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het ontstaan van een bepaald gedrag.
De respons op een sleutelprikkel is vaak aangeboren (instinctief). De respons ontstaan alleen als
voldoende motivatie aanwezig is. Bij mensen wordt het totaal van prikkels van het kinderschema
beschouwd als sleutelprikkel.
Supranormale prikkel: prikkel die effectiever is bij het veroorzaken van een bepaalde gedrag dan
de normale sleutelprikkel. Bijvoorbeeld: een geheel rode snavel bij meeuwen - rode lippenstift bij
mensen.
Aangepast gedrag
Leerprocessen: gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en door leerprocessen. Leren kan op
verschillende manieren:
- inprenting
- Gewenning
- Proefondervindelijk
- Inzicht
1